ECLI:NL:CRVB:2002:AE5841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks geschil over medische beperkingen en vertrouwensbeginsel
Appellant kreeg zijn WAO-uitkering, oorspronkelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 1 december 1998 herzien naar 15 tot 25%. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.
Appellant stelde dat hij ernstiger beperkt was dan vastgesteld en niet in staat was de voorgelegde functies uit te oefenen. Tevens voerde hij aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen, omdat geen onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts had plaatsgevonden. Ook stelde hij dat het vertrouwensbeginsel was geschonden, omdat hem eerder schriftelijk was medegedeeld dat hij met behoud van uitkering een jaar in Suriname mocht verblijven.
De Raad oordeelde dat het dossieronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voldeed aan de zorgvuldigheidseisen en dat appellant geen nieuwe medische informatie had aangeleverd. De medische beperkingen zoals vastgesteld door verzekeringsarts Richter en bevestigd door bezwaarverzekeringsarts Slebus waren voldoende onderbouwd. De Raad vond geen reden voor een onafhankelijk medisch onderzoek. Daarnaast was er geen sprake van een ondubbelzinnige schriftelijke toezegging die het vertrouwensbeginsel zou schenden. De verlaging van de uitkering werd daarom bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering van appellant naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.