ECLI:NL:CRVB:2002:AE4030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- J.Th. Wolleswinkel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen berekening maatmaninkomen in AAW-uitkeringszaak
De zaak betreft een geschil over de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om aan gedaagde een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen. Het besluit van 17 maart 1999, waarbij het bezwaar van gedaagde tegen de weigering van de uitkering werd afgewezen, werd door de rechtbank Breda op 24 augustus 2000 bevestigd. De rechtbank oordeelde dat gedaagde minder dan 25% arbeidsongeschikt was en dat het besluit rechtens houdbaar was.
Appellant, het UWV, stelde hoger beroep in tegen een onderdeel van de uitspraak van de rechtbank, namelijk de vaststelling dat de wijze van berekening van het maatmaninkomen door de bezwaararbeidsdeskundige onjuist was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het hoger beroep niet ontvankelijk was omdat er geen geschil meer bestond over het bestuursbesluit zelf en appellant geen voldoende procesbelang had bij het aanvechten van de berekeningswijze van het maatmaninkomen.
De Raad benadrukte dat het hoger beroep niet bedoeld is om algemene rechtsvragen te beantwoorden zonder concreet belang in het geschil. Ook werd overwogen dat bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid op een latere datum de berekening van het maatmaninkomen opnieuw kan worden getoetst. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het UWV werd veroordeeld tot betaling van een recht van € 327,-.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.