ECLI:NL:CRVB:2002:AD9660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing reiskostenvergoedingen en premieplicht sociale verzekeringen
De zaak betreft een geschil over de premieplichtigheid van reiskostenvergoedingen die een werkgever aan zijn werknemers heeft verstrekt in 1990 en 1991. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelde dat 25% van deze vergoedingen bovenmatig was en dus premieplichtig, gebaseerd op een looncontrolerapport en een routeplanner (ALH-programma).
De rechtbank Arnhem had het beroep van de werkgever gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd omdat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid, met name omdat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de afwijkingen van de opgegeven reisafstanden als bovenmatig moesten worden aangemerkt.
Het UWV ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een routeplanner niet zonder meer beslissend is voor de vraag of de meest gebruikelijke weg is gevolgd. Er kunnen goede redenen zijn om van een routeplanner af te wijken zonder dat dit onredelijk is. De Raad vond dat het UWV onvoldoende had gereageerd op de gemotiveerde betwisting van de werkgever en bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van de werkgever en legde tevens een recht van € 327,-- op aan het UWV. De uitspraak werd gedaan door voorzitter R.C. Schoemaker en leden G. van der Wiel en H.C. Cusell op 24 januari 2002.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldige motivering.