ECLI:NL:CRVB:2001:ZF5434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- A. Beuker-Tilstra
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Minister voor bezwaarbeslissing BWOO na intrekking uitvoering door universiteitsbestuur
Appellant, voormalig werknemer van de Katholieke Universiteit Brabant, kreeg per 1 september 1990 ontslag met wachtgeld toegekend. Na invoering van het BWOO werd zijn recht op uitkering per 1 januari 1996 gedeeltelijk beëindigd vanwege het vervallen van de bijverdienmogelijkheid. Het college van bestuur nam een besluit hierover en wees het bezwaar van appellant af.
De Raad overweegt dat het college van bestuur aanvankelijk bevoegd was het besluit te nemen en op bezwaar te beslissen, maar dat deze bevoegdheid per 1 augustus 1996 bij intrekking van artikel 1, tweede lid BWOO, aan de Minister van OCW is overgegaan. Het bestreden besluit is weliswaar namens het college genomen, maar geacht moet worden op grond van een mandaat van de Minister te zijn genomen.
Appellant voerde aan dat de korting op zijn wachtgeld in strijd was met de oorspronkelijke afspraken en leidde tot inkomensachteruitgang en pensioenverlies. De Raad oordeelt echter dat dit geen grond is om het BWOO buiten toepassing te laten en bevestigt de eerdere uitspraak dat het bezwaar ongegrond is.
De Raad besluit dat de Minister bevoegd is en bevestigt de aangevallen uitspraak, waarbij het bezwaar van appellant wordt afgewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de Minister bevoegd is en verklaart het bezwaar van appellant ongegrond.