ECLI:NL:CRVB:2001:BC1592

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 april 2001
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
99/5113 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • Ch. de Vrey
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 74 AbwArt. 140 AbwArt. 7:1 AwbArt. 8:5 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing vergoeding schade voortvloeiend uit voorschotverlening bij bijstand

Appellant heeft in februari 1997 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Tijdens de behandeling van deze aanvraag verstrekte de gemeente Spijkenisse meerdere voorschotten. Appellant kwam begin 1997 in betalingsmoeilijkheden en stelde dat de daaruit voortvloeiende schade, waaronder incassokosten, het gevolg was van een niet adequate voorschotverlening. Hij vorderde daarom vergoeding van deze schade.

De gemeente wees dit verzoek af en verklaarde de bezwaren tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond, waarbij het geschil zich beperkte tot de wijze van bevoorschotting. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat op grond van artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met de Bijlage bij die wet, geen beroep openstaat tegen besluiten tot het verlenen van bijstand bij wijze van voorschot zoals geregeld in artikel 74 van Pro de Abw. Ook het rechtsmiddel van bezwaar is op grond van artikel 7:1 Awb Pro niet beschikbaar. De Raad bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees appellant op de mogelijkheid om zich te wenden tot de voorzitter van gedeputeerde staten op grond van artikel 140 Abw Pro indien geen of ontoereikende toepassing is gegeven aan artikel 74 Abw Pro.

De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van schade. De uitspraak werd op 3 april 2001 openbaar uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van schade voortvloeiend uit voorschotverlening.

Uitspraak

99/5113 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 27 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Nadien heeft appellant zich nog met een schrijven, met bijlagen, tot de Raad gewend.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 februari 2001, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P. Nieuwenhuizen, werkzaam bij de gemeente Spijkenisse.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op 6 februari 1997 bij gedaagde een aanvraag om uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend.
In het kader van de behandeling van die aanvraag heeft gedaagde aan appellant op 6, 12 en 27 februari 1997 voorschotten verstrekt.
Appellant is begin 1997 in betalingsmoeilijkheden komen te verkeren en stelt zich op het standpunt dat de daaruit voortvloeiende schade - met name incassokosten - het gevolg is van een niet adequate voorschotverlening door gedaagde. Hij heeft gedaagde daarvoor aansprakelijk gesteld en verzocht hem die schade te vergoeden.
Gedaagde heeft bij zijn besluit van 5 januari 1998 afwijzend op dat verzoek gereageerd en voorts - voorzover nog van belang - bij zijn op bezwaar genomen besluit van 18 augustus 1998 de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk verklaard in zoverre deze zich richtten tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de schade voortgevloeid uit de voorschotverlening door gedaagde.
De rechtbank heeft het beroep van appellant dat zich richtte tegen die niet-ontvankelijkverklaring beperkt tot de wijze van bevoorschotting, ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen die beslissing van de rechtbank gekeerd.
De Raad kan zich geheel verenigen met het in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen welke hij tot de zijne maakt. Met name is ook de Raad van oordeel dat op grond van artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met onderdeel F van de Bijlage bij die wet geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit tot het verlenen van bijstand bij wijze van voorschot als geregeld in artikel 74 van Pro de Abw. Gezien artikel 7:1, eerste lid, van de Awb staat tegen een dergelijk besluit ook het rechtsmiddel van bezwaar niet open.
Derhalve dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Met het oog op appellants grief dat hij, ten gevolge van het ontbreken van een in zijn ogen behoorlijke rechtsgang, in de kou komt te staan, wijst de Raad appellant op de in artikel 140, eerste lid, van de Abw gegeven voorziening om zich ingeval geen of ontoereikend toepassing is gegeven aan artikel 74 van Pro de Abw met een verzoek ter zake tot de voorzitter van gedeputeerde staten te wenden.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
JdB