ECLI:NL:CRVB:2001:AE8689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.D.M. van Diepenbeek
- J.W. Schuttel
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende duidelijkheid
Appellante ontving arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de AAW en WAO, die door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) werden gekort vanwege een gewijzigde inschatting van haar arbeidsongeschiktheidspercentage. Het Lisv vorderde daarnaast terugbetaling van een bedrag dat zij te veel had uitbetaald over de periode van februari tot september 1996.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de korting onterecht was en dat het Lisv niet bevoegd was tot terugvordering over de gehele periode. De Raad oordeelde dat de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid per maand moet worden vastgesteld en dat een vergelijking over een langere periode niet is toegestaan. De Raad vond de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid door het Lisv juist.
Ten aanzien van de terugvordering stelde de Raad vast dat het Lisv niet aannemelijk had gemaakt dat appellante in alle maanden redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zij teveel uitkering ontving. Daarom was het Lisv niet bevoegd tot terugvordering over de maanden februari tot en met mei en juli 1996. Voor augustus 1996 was terugvordering wel verplicht. Gelet op de onduidelijkheid over de bedragen vernietigde de Raad het gehele terugvorderingsbesluit en veroordeelde het Lisv tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit wordt vernietigd en het LISV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.