ECLI:NL:CRVB:2001:AE8616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking AAW- en WAO-uitkeringen wegens onjuiste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Appellant betwistte het besluit van 12 oktober 1995 waarbij zijn uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werden ingetrokken op grond van een vermeende arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% respectievelijk 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het beroep van appellant zich ook uitstrekte tot de AAW-uitkering en dat de besluiten die de AAW-uitkering herzien of intrekken niet als zelfstandige besluiten in de zin van de Awb konden worden aangemerkt. De Raad stelde vast dat gedaagde een onjuist uitgangspunt had gehanteerd bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, met name door geen reële schatting van het verdienvermogen te maken, terwijl appellant feitelijk arbeid verrichtte.
Daarom vernietigde de Raad het besluit van 12 oktober 1995 en verklaarde het beroep gegrond. Tevens veroordeelde de Raad gedaagde in de proceskosten van appellant, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, en bepaalde dat het gestorte griffierecht aan appellant werd vergoed. De zaak werd terugverwezen voor een nieuw besluit over de WAO-uitkering per 1 juni 1994.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de AAW- en WAO-uitkeringen wordt vernietigd en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.