ECLI:NL:CRVB:2001:AE8591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum AAW-uitkering ondanks betwisting bijzondere hardheid
Gedaagde maakte bezwaar tegen de weigering van een AAW-uitkering met ingang van 1 januari 1980 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en inkomenseis. Na een eerdere uitspraak die het besluit vernietigde, kende appellant een AAW-uitkering toe met ingang van 27 mei 1988, één jaar voor de aanvraagdatum. Gedaagde stelde dat zij in de periode vóór die datum onder het sociale minimum leefde en dat appellant onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar (gezins)inkomen.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens strijd met artikel 3:2 Awb Pro, omdat onvoldoende onderzoek was verricht naar het inkomen in de relevante periode. In hoger beroep stelde appellant dat gedaagde sinds 1984 een RWW-uitkering ontving en dat dit door verificatie bij de gemeente was bevestigd, waardoor geen sprake was van bijzondere hardheid.
De Raad toetste het geschilpunt aan artikel 36 WAZ Pro en onderschreef de rechtbank in haar oordeel over de ingangsdatum. Wel stelde de Raad vast dat appellant uit coulance het beleid inzake bijzondere gevallen toepaste, hoewel gedaagde niet tot de specifieke categorie behoorde. De Raad concludeerde dat appellant niet had aangetoond dat gedaagde relevante kosten had gemaakt die bijzondere hardheid konden rechtvaardigen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en legde appellant een griffierecht van ƒ 675,- op.
Uitkomst: De Raad bevestigt de ingangsdatum van de AAW-uitkering op 27 mei 1988 en wijst het hoger beroep van appellant af.