ECLI:NL:CRVB:2001:AD9466

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/1274 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 sociale werknemersverzekeringswettenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat rijschoolhouders zelfstandige ondernemers zijn en geen fictieve dienstbetrekking bestaat

In deze zaak heeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam die oordeelde dat de rijschoolhouders zelfstandig ondernemers zijn en geen fictieve dienstbetrekking met de gedaagde, Autorijschool [X.] V.O.F., bestond.

De rechtbank stelde vast dat de rij-instructeurs ondernemersrisico liepen, onder andere door de aanschaf en het intensieve gebruik van eigen lesauto's, en dat zij zelfstandig hun leerlingen konden werven. De appellant stelde dat er sprake was van een fictieve dienstbetrekking, onder meer omdat slechts 25% van de leerlingen door de instructeurs zelf werd geworven en er sprake was van economische afhankelijkheid.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de kenmerken van zelfstandige ondernemerschap duidelijk aanwezig waren en verwierp de stellingen van appellant. De Raad bevestigde dat de gedaagde als faciliterend servicebureau opereerde en dat de betrokken rijschoolhouders als zelfstandige ondernemers functioneerden zonder een dienstbetrekking.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden vonnis, veroordeelde appellant in de proceskosten en legde een recht van f 722,-- op aan appellant.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat de rijschoolhouders zelfstandige ondernemers zijn zonder fictieve dienstbetrekking en verklaart het beroep van gedaagde gegrond.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
00/1274 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
Autorijschool [X.] V.O.F., gevestigd te [Y.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij een aanvullend beroepschrift van 2 juni 2000 aangevoerde gronden hoger beroep bij de Raad ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 13 januari 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is onder dagtekening 29 juni 2000 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 december 2001, waar appellant, na schriftelijk bericht vooraf, niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door directeur [C.], bijgestaan door mr A.J.G. Tazelaar, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen vergezellen door [A.], rijschoolhouder te [B.], om als getuige te worden gehoord.
II. MOTIVERING
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich, anders dan het bestreden besluit op bezwaar van 9 april 1997 (handhavend het primaire besluit van 21 november 1996), klaarblijkelijk op het standpunt gesteld dat gedaagde slechts een faciliterende tegen provisie opererende onderneming ten behoeve van de in dit geding betrokken rij-instructeurs, werkzaam in zelfstandige beroepsuitoefening per 1995/1996 en volgende onder gelijke condities is geweest.
Daarbij heeft de rechtbank zich op het standpunt gesteld dat de desbetreffende rij-instructeurs wel degelijk ondernemersrisico hebben gelopen, waartoe bijdraagt dat zij auto's hebben moeten aanschaffen voor hun lesactiviteiten en intensief gebruik als zodanig benevens daarmee gepaard gaande aanpassingen. Deswege heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en het beroep van gedaagde gegrond verklaard.
Bij het aanvullend beroepschrift heeft appellant weliswaar toegegeven dat geen hard concurrentiebeding voor de betrokken rij-instructeurs gold, doch overigens dat verzekeringsplicht van rechtswege voor hen kennelijk per 1995/1996 kan worden gebaseerd op artikel 5 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten uit hoofde van de aanwezigheid van een fictieve dienstbetrekking.
Daarbij is aangenomen:
1) dat slechts 25% van de leerlingen door de betrokken instructeurs zelf is geworven met daaraan inhaerente economische afhankelijkheid van gedaagde;
2) dat de aanschaf van een eigen auto hunnerzijds nog geen zelfstandig ondernemersrisico betekent;
3) dat gedaagde de theorielessen en examenaanvragen doet verzorgen;
4) dat betrokken instructeurs de naam van [X.] voeren via het dakbord van de auto;
5) dat er dagelijkse verantwoording over de lesagenda's is aan gedaagde;
6) dat het vertrek van 11 instructeurs in 1998/1999 met medeneming van hun leerlingen bij gedaagde niet automatisch de situatie bepaalt voor 1995/1996, toen er nog maar twee instructeurs werkzaam waren.
Op grond van de gedingstukken, het verhandelde te zijner zitting, het gemotiveerde pleidooi van gedaagdes gemachtigde bij die gelegenheid en de duidelijke en gespecificeerde getuigeverklaring in antwoord op concrete vragen, oordeelt de Raad het standpunt van appellant niet voor juist en deugdelijk gemotiveerd te kunnen houden,omdat
ad 1) duidelijk hogere, andere percentages van de leerlingen door de betrokken instructeurs zelf konden worden verworven en ook metterdaad werden verworven;
ad 2) dat de aanschaf en het zakelijk intensieve en aangepaste gebruik van een auto klaarblijkelijk alleen als lesauto wel een niet te miskennen indicatie vormt voor zelfstandig ondernemersrisico en in elk geval niet op het tegendeel wijst; dat dit laatste nog versterkt wordt doordat reparaties en verzekeringen hiervan voor rekening van betrokkenen kwamen; dat dezen ook het incassorisico dragen voor het niet betalen van lesgelden door de desbetreffende leerlingen;
ad 3) dat slechts in een beperkt aantal zich administratief of technisch hiervoor lenende gevallen gebruik gemaakt werd van de theorie- en examenaanvraagfaciliteiten van gedaagde en dat zulks in elk geval niet het faciliterende karakter van gedaagde overstijgt;
ad 4) dat de instructeurs ook hun eigen naam konden voeren, doch als doorgaans kleinere ondernemers de naam [X.] om redenen van bredere kwaliteitsbekendheid hebben gevoerd zonder verplichting;
ad 5) dat het bij de agenda-afstemming geenszins begonnen was om verantwoording aan gedaagde doch administratief erom gegaan heeft dubbele boekingen te vermijden;
ad 6) dat in essentie niet gebleken is dat situatie in 1998/1999 verschild heeft van die in 1995/1996, zodat de hier genoemde omstandigheid slechts manifest doet worden hoe eenvoudig de betrokken rij-instructeurs als zelfstandige ondernemers ook de via [X.] aangeworven leerlingen konden meenemen zonder een effectief werkend concurrentiebeding of enige vergoeding laat staan enige andere zich hiertegen verzettende sanctie; waarbij overigens opmerking verdient dat het bestreden besluit op bezwaar als zodanig niet exact de periode van geding afpaalt, doch gezien dagtekening als uitgangspunt op 1995/1996 betrekking heeft gehad; dat hierbij overigens eveneens naar voren is gekomen dat van [X.] gebruik is gemaakt voorzover en voorzolang zulks de verlangde administratief-technische en sociale uitwisselingsvoordelen alsmede kostenbesparingen opleverden
Op grond van het vorenoverwogene deelt de Raad de zienswijze van gedaagdes gemachtigde en de rechtbank dat er te dezen sprake is geweest van een situatie waarin gedaagde werkzaam is geweest als een faciliterend servicebureau- werkend tegen een procentueel zeer gelimiteerde uurprovisie- en waarbij er van een fictieve dienstbetrekking tussen gedaagde en de betrokken rijschoolhouders geen sprake is geweest, nu dezen naar buiten zijn opgetreden als zelfstandige ondernemers met daarvoor voor de Raad in casu genoegzaam duidelijke en overtuigende kenmerken.
Mede gelet op deze gewogen uitkomst uitgaande van de primerende uitkomst in geding en om reden van gerede afpaling van het geding naar zaaks- en tijdsomvang voorzover hiertegen alleen hoger beroep door appellant is ingesteld, zal de Raad niet treden in andere vragen zoals door gedaagde zonder hoger beroep ter zake aan de orde gesteld of ook om andere aangegeven redenen wellicht geen fictieve dienstbetrekkingen met de betrokken rijschoolhouders zouden zijn onderhouden en of en in hoeverre voor dit geding nadere implicaties kunnen worden ontleend aan de eerst na 1 januari 2002 beslag krijgende nieuwe zelfstandigheidsregelgeving.
De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om ten gunste van gedaagde toepasssing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, gelijk hieronder aangegeven.
De Raad bepaalt tot slot dat van appellant een recht van f 722,-- dient te worden geheven.
Derhalve dient te worden beslist, zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten tot een bedrag groot f 2.120,--;
Verstaat dat van appellant een recht van f 722,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
AP0801