ECLI:NL:CRVB:2001:AD8139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WW-dagloon bij inhouding spaarloon na dienstverband
Appellant was sinds 1968 werkzaam bij een bank en deelnemer aan een spaarloonregeling waarbij twee keer per jaar een bedrag op het salaris werd ingehouden. Na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 15 december 1997 vroeg appellant een WW-uitkering aan. Gedaagde stelde het dagloon vast op f 225,93, waarbij rekening werd gehouden met een bedrag aan spaarloon van f 819,--.
Appellant betwistte de hoogte van het dagloon omdat de inhouding van spaarloon in december 1997 onterecht was, aangezien de arbeidsovereenkomst toen was beëindigd. De rechtbank oordeelde dat alleen spaarloon binnen de referteperiode in mindering mocht worden gebracht en vernietigde het besluit van gedaagde wegens onvoldoende motivering.
Gedaagde nam een nieuw besluit waarbij het dagloon ongewijzigd bleef. Appellant kwam hiertegen in hoger beroep, stellende dat het spaarloon van december 1997 als loon moet worden beschouwd. De Raad oordeelde dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep tegen het oorspronkelijke besluit en verklaarde dit niet-ontvankelijk. Het besluit van 29 december 1999 werd gegrond verklaard omdat het dagloon correct was vastgesteld zonder rekening te houden met de nabetaling van spaarloon na beëindiging van het dienstverband.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het besluit van 26 mei 1998 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 29 december 1999 ongegrond.