ECLI:NL:CRVB:2001:AB2831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onjuiste feitelijke grondslag
Appellant, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, trok bij besluit van 5 januari 1999 de arbeidsongeschiktheidsuitkering van gedaagde per 1 januari 1997 in vanwege het niet tijdig aanleveren van jaarstukken over 1997. Tevens werd een bedrag teruggevorderd dat onverschuldigd was betaald over de periode 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1998. Gedaagde maakte bezwaar tegen deze besluiten, welke bij besluit van 8 juli 1999 ongegrond werden verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit van 8 juli 1999, stellende dat de intrekking niet terecht was omdat de situatie als bedoeld in artikel 26a, eerste lid, onder d, van de AAW zich niet meer voordeed. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad overwoog dat de intrekking van de uitkering per 1 januari 1997 beoordeeld moet worden aan de hand van artikel 26a, eerste lid, onder d, van de AAW en niet aan de latere Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Omdat gedaagde de jaarstukken pas op 19 januari 1999 aanleverde, kon appellant vóór de beslissing op bezwaar vaststellen of recht op uitkering bestond. De Raad oordeelde dat het besluit van 8 juli 1999 onvoldoende feitelijke grondslag heeft en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad bepaalde dat appellant opnieuw moet beslissen op de bezwaren van gedaagde tegen de besluiten van 5 januari en 13 januari 1999, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan gedaagde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het intrekkingsbesluit en bepaalt dat appellant opnieuw moet beslissen op de bezwaren.