ECLI:NL:CRVB:2001:AB1905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van lagere maatregel wegens verminderde verwijtbaarheid bij niet verschijnen op oproep uitvoeringsinstelling
Het geschil betreft een maatregel opgelegd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) aan gedaagde wegens het niet verschijnen op een oproep van de uitvoeringsinstelling op 13 december 1996. Gedaagde ontving een WAO-uitkering en werd gesanctioneerd met een verlaging van het uitkeringspercentage met 2% gedurende acht weken.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het niet verschijnen kan worden gekwalificeerd als een verplichting in de derde categorie van het Maatregelenbesluit Tica. De Raad acht in dit geval sprake van verminderde verwijtbaarheid omdat gedaagde de afspraak 'domweg' was vergeten en spoedig na het verzuim contact opnam om een nieuwe afspraak te maken, welke hij ook is nagekomen.
De Raad verwerpt de stelling van appellant dat herstel uit eigen beweging niet mogelijk is zodra het uitvoeringsorgaan het verzuim heeft vastgesteld. Volgens de Raad wordt herstel uit eigen beweging aangenomen indien de verzekerde het verzuim herstelt voordat hij door het uitvoeringsorgaan is geïnformeerd over het verzuim. In casu was dit het geval.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de intentie van gedaagde, namelijk onbewust en onopzettelijk verzuimen, eveneens een grond is voor verminderde verwijtbaarheid. Appellant betwistte dit, stellende dat vergeetachtigheid geen reden is voor verminderde verwijtbaarheid, maar de Raad sluit zich aan bij de rechtbank.
De Centrale Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellant af, zonder proceskosten aan gedaagde toe te kennen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de maatregel van 10% gedurende acht weken wegens niet verschijnen, met erkenning van verminderde verwijtbaarheid.