ECLI:NL:CRVB:2001:AB1775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat dagloonvaststelling BWOO gebaseerd is op historisch dagloon zonder salarisverhoging na ontslag
Appellante was het niet eens met de vaststelling van haar dagloon voor de werkloosheidsuitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO). Zij stelde dat bij de berekening van haar dagloon rekening had moeten worden gehouden met een periodieke salarisverhoging per 1 augustus 1995, die zij zou hebben ontvangen als zij niet was ontslagen.
De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het BWOO en de bijbehorende dagloonregels van toepassing zijn, welke uitgaan van het feitelijk toegekende salaris en niet van hypothetische salarisverhogingen na ontslag. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat de dagloonregels van het BWOO bewust afwijken van de systematiek van de Werkloosheidswet (WW) en de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS), waarbij het WW-dagloon wordt vastgesteld op basis van het loon dat de werknemer tijdens de uitkeringsperiode zou kunnen verdienen. Het BWOO hanteert het historisch dagloon, gebaseerd op het gemiddeld verdiende loon in de referteperiode van 26 weken voorafgaand aan het ontslag, en sluit daarmee salariswijzigingen die na ontslag zouden plaatsvinden uit.
De Raad wees het beroep af en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Tevens benadrukte de Raad dat aanpassing van een eenmaal vastgesteld dagloon slechts kan plaatsvinden op grond van artikel 28 BWOO Pro. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 10 mei 2001 door de voorzitter en leden van de Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de dagloonvaststelling blijft gebaseerd op het historisch verdiende loon zonder rekening te houden met salarisverhogingen na ontslag.