ECLI:NL:CRVB:2001:AB1619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende motivering uitlooptermijn
Appellant, een voormalige plaatbewerker, kreeg vanaf 1981 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toegekend na een schotwond in 1979. In 1996 trok het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) deze uitkeringen in omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders.
De Raad stelt vast dat de medische beoordelingen van verschillende specialisten, waaronder psychiaters en verzekeringsgeneeskundigen, geen relevante beperkingen aantonen die het werk van appellant belemmeren. De Turkse artsen die appellant wel arbeidsongeschikt achtten, onderbouwen dit onvoldoende. Ook het missen van een nier en milt sinds het incident leidt niet tot beperkingen.
De Raad oordeelt echter dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is vanwege de gehanteerde uitlooptermijn van twee maanden na de kennisgeving. Volgens het beleid had een dergelijke termijn moeten worden getoetst en mogelijk aangepast, wat niet is gebeurd. Hierdoor wordt het besluit vernietigd en moet Lisv de proceskosten van appellant vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de uitlooptermijn.