ECLI:NL:CRVB:2001:AB1305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- T.L. de Vries
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op kinderbijslag bij pleegouderschap zonder gezag
Appellante vroeg kinderbijslag aan voor twee kinderen die tijdens haar samenwoning met de biologische moeder via kunstmatige inseminatie waren geboren. Hoewel appellante de rol van moeder vervulde en de feitelijke verzorging op zich nam, had zij tot 30 september 1997 geen juridisch gezag over de kinderen. De biologische moeder behield het ouderlijk gezag en er bestond een bezoekregeling.
De Sociale Verzekeringsbank weigerde kinderbijslag over de kwartalen vóór het vierde kwartaal van 1997, omdat niet voldaan was aan het vereiste dat de pleegouder de plaats van de ouder moet innemen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd.
De Raad overwoog dat het feit dat appellante en de biologische moeder de kinderen samen opvoedden en appellante de rol van moeder vervulde, niet voldoende is zonder juridisch gezag. Het zogenaamde blokkaderecht van de biologische moeder, dat betrekking heeft op het verblijf van het kind, was niet doorslaggevend. De weigering van kinderbijslag voor de periode vóór het vierde kwartaal 1997 was daarom rechtmatig.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag voor de periode vóór het vierde kwartaal 1997 vanwege het ontbreken van juridisch gezag.