ECLI:NL:CRVB:2000:BB8263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zonder uitlooptermijn
Appellant, werkzaam als automonteur, kreeg uitkeringen op grond van de AAW en WAO toegekend wegens arbeidsongeschiktheid. Deze uitkeringen werden in 1993 ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 25% respectievelijk 15%. Na een korte periode van vermeende hernieuwde arbeidsongeschiktheid werd een besluit genomen om het ziekengeld stop te zetten. Later werd vastgesteld dat dit besluit onjuist was en werden de uitkeringen met terugwerkende kracht heropend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de uitkeringen ongegrond en verwierp de toepassing van een uitlooptermijn. In hoger beroep werd betoogd dat bij een directe heropening van de uitkeringen een uitlooptermijn wel in acht genomen had moeten worden. De Centrale Raad oordeelde echter dat de besluiten van heropening en intrekking als een samenhangend geheel moeten worden beschouwd, waardoor het beginsel van rechtszekerheid geen uitlooptermijn vereist.
De Raad benadrukte dat het zorgvuldigheidsbeginsel normaal gesproken een uitlooptermijn voorschrijft om de betrokkene de gelegenheid te geven zich te beraden op de nieuwe situatie. In dit geval was dat echter niet noodzakelijk omdat de besluitvorming betrekking had op een afgesloten periode en niet op een lopende uitkering. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wordt bevestigd zonder toepassing van een uitlooptermijn.