ECLI:NL:CRVB:2000:AB2478

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/4723 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 25 lid 1 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit terugvordering kinderbijslag wegens onzorgvuldige beoordeling

Appellant ontving kinderbijslag voor drie kinderen die in Egypte woonden. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) besloot de kinderbijslag over meerdere kwartalen terug te vorderen omdat appellant niet had aangetoond dat hij de kinderen in belangrijke mate onderhield.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de SVB ten onrechte was teruggekomen op de toekenning van kinderbijslag voor twee van de kinderen, omdat appellant al in 1995 had gemeld dat deze kinderen uitwonend waren en er geen wijziging in omstandigheden was die rechtvaardigde dat de SVB haar besluit herziet.

Voor het derde kind oordeelde de Raad dat de weigering van kinderbijslag onzorgvuldig was voorbereid, mede omdat appellant aannemelijk had gemaakt dat zijn echtgenote vanaf begin 1997 bij de kinderen woonde. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de SVB een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd de SVB veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van kinderbijslag wordt vernietigd en de Sociale Verzekeringsbank wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit.

Uitspraak

99/4723 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 12 november 1997 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij over het vierde kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 geen recht heeft op kinderbijslag voor drie kinderen en dat de teveel betaalde kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 1997, ad ¦ 3.634,-, van hem wordt teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 18 mei 1998, het thans bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 12 november 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 4 augustus 1999 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 november 2000, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich, zoals telefonisch medegedeeld, niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant woont in Nederland en heeft voor zijn in Egypte wonende kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3], geboren op respectievelijk in 1989, 1990 en 1993, kinderbijslag ontvangen.
Bij besluit van 13 december 1995 heeft gedaagde geweigerd vanaf het vierde kwartaal van 1994 tweevoudige kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor [kind 1] en [kind 2], omdat zij niet uitwonend zouden zijn. Appellant heeft in bezwaar en (hoger) beroep tegen dit besluit aangevoerd dat deze kinderen wel uitwonend waren. Daarbij heeft hij, blijkens 's Raads uitspraak van 5 augustus 1998, aangegeven dat [kind 1] en [kind 2] vlakbij hun school in het huis van zijn familie in [plaats] woonden, waar zijn broer de zorg voor hen had, dat zijn vrouw 30 km van dit huis in Cairo woonde en dat zij vanwege onenigheid met de moeder van appellant weinig in [plaats] bij de kinderen aanwezig was. De Raad heeft gedaagdes weigering van tweevoudige kinderbijslag toen onderschreven, overwegende dat indien wordt aangenomen dat de kinderen uitwonend zijn geen recht bestaat op tweevoudige kinderbijslag, omdat geen causaal verband bestaat tussen het uitwonend zijn van deze kinderen -vanaf 1992- en het volgen van onderwijs -vanaf 1993-.
Bij brief van 11 april 1997 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat vanaf september 1996 ook zijn dochter [kind 3] uitwonend is bij zijn broer te [plaats] en samen met haar zusjes [kind 1] en [kind 2] dezelfde school bezoekt. Gedaagde heeft vervolgens aan appellant verzocht om bewijsstukken ten aanzien van zijn bijdragen in het levensonderhoud van de kinderen.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 november 1997 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij vanaf het vierde kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 1997 geen recht heeft op kinderbijslag voor [kind 1], [kind 2] en [kind 3], omdat hij niet heeft aangetoond hen in belangrijke mate te onderhouden, en dat de tot en met het tweede kwartaal van 1997 betaalde kinderbijslag ad ¦ 3.634,- van hem wordt teruggevorderd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat zijn echtgenote vanaf begin 1997, toen zijn moeder ernstig ziek was, bij de familie (en de kinderen) in [plaats] is gaan wonen en dat zij daar ook na het overlijden van zijn moeder -in mei 1997- is blijven wonen.
De Raad stelt voorop dat gedaagde bij het bestreden besluit ten aanzien van het vierde kwartaal van 1996 en het eerste en tweede kwartaal van 1997 ten nadele van appellant is teruggekomen van de toekenning van kinderbijslag over die kwartalen. Zoals in 's Raads vaste jurisprudentie tot uitdrukking komt, is een zodanige intrekking in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zijn echter uitzonderingen denkbaar waarin van strijd met dat beginsel geen sprake is. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan gevallen waarin het toekennen of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg was van een onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene, terwijl een andere -minder gunstige- beslissing zou zijn genomen, indien de juiste feiten bekend zouden zijn geweest.
Gelet op de zich in deze zaak voordoende feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat zich hier ten aanzien van de kinderen [kind 1] en [kind 2] geen uitzonderingssituatie voordoet in evenbedoelde zin. Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt immers dat appellant reeds in 1995 aan gedaagde heeft medegedeeld dat deze kinderen uitwonend waren in [plaats]. Niet is gebleken van enige, nadien ingetreden, wijziging in hun omstandigheden welke van invloed zou kunnen zijn op de aanspraak op kinderbijslag voor deze kinderen. Gedaagdes besluit om terug te komen van de toekenning van kinderbijslag ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] over voornoemde kwartalen kan derhalve reeds op deze grond niet in stand blijven.
Voorts heeft appellant ter zitting medegedeeld dat zijn echtgenote vanaf begin 1997 ook in [plaats] woont bij zijn kinderen en zijn familie. De Raad is van oordeel dat deze mededeling van appellant, hoewel niet geheel overeenstemmend met eerdere verklaringen, gelet op de ter zitting genoemde details geenszins onaannemelijk is te achten. Dit betekent dat thans niet als vaststaand kan worden aangenomen dat voor [kind 3] over het vierde kwartaal van 1996 tot en met het tweede kwartaal van 1997 ten onrechte kinderbijslag is betaald en dat gedaagdes weigering van kinderbijslag ten behoeve van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] over het derde kwartaal van 1997 onzorgvuldig is voorbereid en genomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Gedaagde zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep, welke worden begroot op ¦ 1.420,- voor verleende rechtsbijstand. De Raad is voorts niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten gemaakt in hoger
beroep. Deze kosten dienen aan de griffier van de Raad betaald te worden, aangezien ten behoeve van appellant een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat gedaagde het griffierecht ad f 225,- aan appellant dient te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag ad ¦ 1.420,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ad ¦ 225,- aan appellant dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
IS
+Q