ECLI:NL:CRVB:2000:AA7061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.H. van Kreveld
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ontslag militair wegens bevoegdheidsgebrek en strijd met AMAR
Appellant, een eerste-luitenant der infanterie, werd op grond van medische onderzoeken ongeschikt bevonden voor militaire dienst en kreeg bij koninklijk besluit eervol ontslag met ingang van 1 juli 1995. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van de staatssecretaris om het bezwaar ongegrond te verklaren, werd door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep stelde appellant dat het besluit onbevoegd was genomen en dat de ontslagdatum in strijd was met het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
De Raad oordeelde dat het medisch oordeel over de ongeschiktheid juist was en dat het ontslag op grond van artikel 39 AMAR Pro bevoegd was verleend. Echter, de staatssecretaris had onbevoegd op het bezwaar beslist omdat hij niet vooraf de Koningin had gevraagd om machtiging, waardoor het besluit vernietigd moest worden. Tevens was het ontslagbesluit in strijd met artikel 47, tweede lid, AMAR omdat de opzegtermijn niet correct was nageleefd; het ontslag kon niet eerder ingaan dan drie maanden na kennisgeving van het koninklijk besluit.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat gedaagde alsnog een beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot ontslag wordt vernietigd wegens bevoegdheidsgebrek en strijd met het AMAR; gedaagde moet opnieuw op bezwaar beslissen.