ECLI:NL:CRVB:2000:AA5831

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/4662 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Algemene KinderbijslagwetArt. 227 BWArt. 228 BWArt. 8 EVRMArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag bij Vietnamese adoptie wegens verschil met Nederlands adoptievereiste

Appellante, geboren in 1953, heeft in 1992 haar neef in Vietnam geadopteerd volgens Vietnamees recht. Zij vroeg kinderbijslag aan vanaf 1996, maar dit werd geweigerd omdat het kind niet als eigen kind in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.

De Raad overweegt dat de Vietnamese adoptie wezenlijk verschilt van de Nederlandse adoptie, vooral omdat het Vietnamese recht geen echtpaar-vereiste kent en geen rechterlijke uitspraak vereist is. Ook ontbraken bij de Vietnamese adoptie de vereisten van verzorging en gezag zoals in het Nederlandse recht. Appellante was ongehuwd en het Nederlandse recht stond destijds geen adoptie door ongehuwden toe.

Hoewel sinds 1 april 1998 de mogelijkheid van één-ouderadoptie in Nederland is ingevoerd, is dit niet van toepassing omdat het besluit van de Sociale Verzekeringsbank en de aanvraag van appellante dateren van vóór die datum. De Raad ziet geen omstandigheden die het echtpaar-vereiste kunnen laten vervallen in deze zaak. Daarom wordt het besluit tot weigering van kinderbijslag bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van het echtpaar-vereiste in de Vietnamese adoptie.

Uitspraak

98/4662 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 27 maart 1997 heeft gedaagde zijn besluit van 29 november 1996, strekkende tot weigering van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 1996, gehandhaafd.
De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft het beroep tegen het besluit van 27 maart 1997 ongegrond verklaard bij uitspraak van 13 mei 1998.
In hoger beroep heeft mr R.A.J.M. Peeters Weem, advocaat te Hengelo, gevorderd de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en appellante alsnog kinderbijslag toe te kennen.
Gedaagde heeft bij brief van 21 december 1998 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 maart 2000.
Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr Peeters Weem, voornoemd. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante is in 1953 geboren in C. Zij is ongehuwd. Blijkens een door het Volkscomité van haar woonplaats afgegeven "bewijs van afstand en adoptie" van 16 maart 1992 heeft zij op die datum haar neef D, geboren in 1982, naar Vietnamees recht geadopteerd. Op 18 februari 1993 is appellante naar Nederland gekomen, waar zij bij besluit van 19 januari 1995 als asielgerechtigde is toegelaten. Het kind D is in Vietnam achtergebleven. Op 29 februari 1996 heeft appellante een aanvraag om kinderbijslag voor D bij gedaagde ingediend. Deze aanvraag is afgewezen op de grond dat D niet als eigen kind van appellante, in de zin van artikel 7 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), kan worden aangemerkt. Dit besluit is in bezwaar en in beroep in eerste aanleg in stand gelaten.
Naar aanleiding van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank overweegt de Raad als volgt.
Bij de toepassing van de AKW wordt een naar Nederlands recht geadopteerd kind als een eigen kind in de zin van de AKW aangemerkt. Of een naar buitenlands recht geadopteerd kind als zodanig kan worden aangemerkt, hangt, zoals ook gedaagde en de rechtbank hebben overwogen, met name hiervan af, of de vereisten voor en de rechtsgevolgen van die adoptie met die naar Nederlands recht gelijk zijn te stellen.
Gedaagde heeft geoordeeld dat de Vietnamese adoptie op essentiële punten afwijkt van de Nederlandse, overwegende:
"In de eerste plaats is een essentieel verschil met de adoptie naar Nederlands recht de mogelijkheid de adoptie te beëindigen, op gronden zoals hiervoor beschreven. Bovendien ontbreken bij de adoptie naar Vietnamees recht de vereisten, zoals omschreven in artikel 227, eerste en tweede lid (uitspraak door rechter, op verzoek van echtpaar) en in artikel 228, eerste lid onder f (het kind moet op dag van verzoek één jaar door verzoekers verzorgd zijn en één van de verzoekers heeft het gezag over het kind). Tenslotte stelt het Vietnamese recht niet de eis dat de adoptie in het belang van het kind moet zijn (vergelijk artikel 227, tweede lid boek 1 BW).".
De rechtbank heeft geoordeeld dat de mogelijkheid van één-ouderadoptie in het Vietnamese recht een zo groot verschil uitmaakt met het Nederlandse recht, waarin het vereiste geldt dat slechts een echtpaar dat vijf jaar gehuwd is een kind kan adopteren (een hier niet relevante uitzondering daargelaten), dat reeds op die grond gedaagdes besluit juist moet worden geacht.
De Raad wijst erop dat ten tijde van gedaagdes primaire besluit, en ook ten tijde van het besluit in geding, het Nederlandse recht niet de mogelijkheid bood van de door appellante gewenste adoptie, aangezien zij ongehuwd was. De mogelijkheid van adoptie door een ongehuwde is op 1 april 1998 in het Burgerlijk Wetboek ingevoerd (art. I:227, eerste lid, van het BW). Weliswaar hebben Nederlandse rechters al vóór die datum een één-ouderadoptie uitgesproken (zie NJ 1996, 240 en NJ 1997, 351), maar dat geschiedde in omstandigheden dat er dusdanig nauwe en actuele betrekkingen tussen de adoptant en het kind bestonden dat het vasthouden aan het echtpaar-vereiste strijdig met het recht op "family life" in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) werd geacht. Dergelijke omstandigheden ziet de Raad hier niet aanwezig, nu van een gezinsleven tussen appellante en het kind sedert begin 1993 geen sprake meer is geweest.
Derhalve kan niet staande worden gehouden dat, in de omstandigheden van appellante, het Nederlandse rechtssysteem voor adoptie niet meer het echtpaar-vereiste stelt en dat op die grond geen (essentieel) verschil meer zou bestaan tussen het Vietnamese en het Nederlandse recht.
In hoger beroep is van de zijde van appellante nog bepleit om in dit geding uit te gaan van de sinds 1 april 1998 geldende wettelijke regeling en op die grond het echtpaar-vereiste bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de Vietnamese adoptie met de Nederlandse buiten beschouwing te laten. Aangezien gedaagde aan zijn besluit op appellantes aanvraag -welk besluit ziet op aanspraken ingevolge de AKW ingaande 1 januari 1996, en dateert van vóór 1 april 1998- niet ten grondslag heeft gelegd een beoordeling van de vergelijkbaarheid van de Vietnamese adoptie met de Nederlandse sinds genoemde datum, zal ook de Raad zich thans niet in die beoordeling begeven.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr F.P. Zwart als voorzitter en
mr T.L. de Vries en mr J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2000.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) M.H.A. Uri.
IS+
Q