ECLI:NL:CRVB:1999:AA5097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ontslagbesluit universitair docent wegens onvoldoende herplaatsingsonderzoek
Appellant, universitair docent aan de Rijksuniversiteit Groningen, werd ontslagen wegens opheffing van zijn betrekking in het kader van een reorganisatie. Het ontslag werd verleend zonder dat een afgerond herplaatsingsonderzoek had plaatsgevonden om te bepalen of passende andere werkzaamheden beschikbaar waren.
De rechtbank had het beroep van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard door de ingangsdatum van het ontslag te vernietigen, maar liet het ontslagbesluit zelf in stand. In hoger beroep stelt appellant dat het ontslag onterecht is omdat de werkzaamheden in een andere context bleven bestaan en het reorganisatieplan onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was.
De Raad oordeelt dat het ontslagbesluit in strijd is met artikel 96 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement omdat geen afgerond herplaatsingsonderzoek is verricht. Het besluit wordt daarom vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing. De Raad bevestigt wel dat het opheffingsbesluit als grondslag redelijk is en dat geen sprake is van onzorgvuldigheden in de besluitvorming.
Ten slotte veroordeelt de Raad het College van Bestuur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt vernietigd wegens het ontbreken van een afgerond herplaatsingsonderzoek en het College van Bestuur moet een nieuw besluit nemen.