ECLI:NL:CRVB:1999:AA3954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- F.P. Zwart
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over gezinslidmaatschap en nationaliteitsgelijkstelling bij AOW-overgangsvoordelen
De zaak betreft A, een Marokkaanse vrouw die aanspraak maakt op overgangsvoordelen binnen de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) weigert deze voordelen toe te kennen omdat A niet als gezinslid in de zin van artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko wordt beschouwd en haar nationaliteit niet gelijkgesteld kan worden met de Nederlandse.
A heeft zich in 1988 in Nederland gevestigd bij haar zoon, een werknemer met de Nederlandse woonplaats. Haar aanvraag voor AOW-pensioen werd in 1994 deels toegekend met een korting vanwege de niet-verzekerde jaren vóór 1957. De rechtbank oordeelde dat de SVB hiermee in strijd handelde met artikel 41 van Pro de Samenwerkingsovereenkomst en vernietigde het besluit.
De Centrale Raad van Beroep stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de interpretatie van 'gezinslid' en de toepassing van nationaliteitsgelijkstelling. Het hof moet bepalen of een alleenstaande moeder die zich op volwassen leeftijd bij haar zoon in een lidstaat vestigt als gezinslid kan worden aangemerkt, waardoor zij aanspraak kan maken op gelijkstelling van haar nationaliteit en daarmee op de overgangsvoordelen.
De Raad benadrukt dat het nationale begrip van gezinslid niet zonder meer doorslaggevend is en dat de communautaire regelgeving en jurisprudentie van het Hof van Justitie bepalend zijn voor de interpretatie. De behandeling van de zaak is aangehouden totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep heeft de behandeling aangehouden en verzocht het Hof van Justitie prejudiciële uitleg te geven over de betekenis van 'gezinslid' en nationaliteitsgelijkstelling bij AOW-overgangsvoordelen.