ECLI:NL:CRVB:1999:AA3728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste premiedifferentiatie-indeling en afwijzing proceskostenvergoeding
In deze zaak gaat het om de vraag of het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) appellante correct heeft ingedeeld in een premiedifferentiatieklasse voor de premiejaren 1995 en 1996 op grond van artikel 60 (oud) van de Ziektewet. Appellante stelde dat het besluit was gebaseerd op vervallen wetgeving en dat de regelgeving het besluit niet kon dragen. De Raad oordeelde dat het besluit juist gebaseerd was op de regelgeving die gold gedurende de betreffende premieperiode, omdat er geen overgangsrecht was vastgesteld.
Daarnaast voerde appellante aan dat zij in de procedure proceskostenvergoeding zou moeten krijgen, omdat zij als ondernemer kosten had gemaakt door declarabele uren te besteden aan de zaak. De rechtbank had dit afgewezen omdat de rechtsbijstand was verleend door een interne advocaat en directeur, en niet door een derde. De Raad bevestigde dit oordeel en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af, verwijzend naar het Besluit proceskosten bestuursrecht dat alleen kosten van door derden verleende rechtsbijstand vergoedt.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarmee de proceskostenveroordeling niet werd toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste premiedifferentiatie-indeling en wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding af.