ECLI:NL:CRVB:1999:AA3427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging tijdelijke tewerkstelling ambtenaar gemeente Den Haag
Appellante was tijdelijk geplaatst als bestandsbeheerder bij de gemeentelijke dienst Stadsbeheer van Den Haag. Haar tijdelijke tewerkstelling werd per 1 december 1995 beëindigd bij besluit van 28 november 1995. Tegen dit besluit en een beoordeling van haar functioneren maakte zij bezwaar, dat door het College van B&W werd afgewezen op 4 juni 1996. Appellante stelde beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank schorste de behandeling en het College trok de beoordeling van 8 januari 1996 in. Desondanks wees de president van de rechtbank op 14 januari 1997 het beroep af, wat appellante aanvocht in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de president van de rechtbank ten onrechte direct uitspraak deed zonder nader onderzoek, in strijd met de artikelen 8:64 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigde daarom de uitspraak en besloot de zaak zelf af te doen. Omdat de beoordeling was ingetrokken, verviel de grondslag voor het oordeel over de passendheid van de tijdelijke functie, waardoor ook het besluit tot beëindiging van de tewerkstelling niet stand kon houden.
De Raad stelde vast dat terugkeer in de functie geen reële optie was en liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand. Verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter Vermeulen en leden Van Diepenbeek en Hoogenboom op 14 januari 1999.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke tewerkstelling van appellante wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.