ECLI:NL:CRVB:1999:1
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing korting bezoldiging wegens ziekte niet veroorzaakt door werkincident
Appellant, werkzaam als [naam functie] bij een forensisch psychiatrische kliniek, staakte zijn werkzaamheden wegens ziekte in 1989. Gedaagde had zijn bezoldiging met 20% verlaagd op grond van artikel 39 ARAR Pro. Appellant verzocht om opheffing van deze korting, stellende dat een incident in 1988, ervaren als gijzeling, de oorzaak was van zijn ziekte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de ziekte niet in overwegende mate aan het werk of de omstandigheden daarvan kon worden toegeschreven. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overwoog dat het werk van appellant een functie betreft waarin dergelijke bedreigende situaties regelmatig kunnen voorkomen en dat het incident niet als excessief kon worden aangemerkt.
Voorts concludeert de Raad dat er onvoldoende medische aanwijzingen zijn dat het incident de hoofdoorzaak van de ziekte was. Ook het feit dat appellant na het incident zijn werkzaamheden gedeeltelijk en later volledig hervatte zonder veel ziekteverzuim, ondersteunt dit. Het verzoek tot opheffing van de korting wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de korting op de bezoldiging wordt afgewezen omdat de ziekte niet in overwegende mate door het werkincident is veroorzaakt.