ECLI:NL:CRVB:1998:AA8795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.F.M. Brenninkmeijer
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Onterecht aangenomen werkgeversgezag in franchiseverhouding voor sociale verzekeringen
Appellante, een franchisegever van bedrijfstrainingen, betwistte de beslissing van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) dat haar franchisenemers verplicht verzekerd waren op grond van de Werkloosheidswet, Ziektewet, WAO en Ziekenfondswet voor de periode 1989-1993.
De kern van het geschil betrof de kwalificatie van de relatie tussen appellante en haar franchisenemers, met name of er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met werkgeversgezag. De Raad stelde vast dat hoewel de franchiseovereenkomst uitgebreide verplichtingen en controle bevatte, deze niet zodanig waren dat werkgeversgezag kon worden aangenomen.
De Raad overwoog dat de verhouding wezenlijk verschilde van een gebruikelijke arbeidsrelatie en dat de franchisenemers als zelfstandige ondernemers moesten worden beschouwd. Daarom kon het besluit van Lisv niet in stand blijven.
De Raad veroordeelde Lisv in de proceskosten en gelastte vergoeding van het griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit dat franchisenemers verplicht verzekerd zijn wegens het bestaan van een dienstbetrekking wordt vernietigd.