ECLI:NL:CRVB:1998:AA3617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- G. van der Wiel
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit gedeeltelijke intrekking AAW-uitkering wegens onjuiste toepassing wettelijke bepalingen
Appellant, een zelfstandig garagehouder, kreeg een AAW-uitkering toegekend met ingang van 4 januari 1989, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Gedaagde had echter de uitkering vanaf die datum niet uitbetaald vanwege inkomsten uit arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de uitkering niet-ontvankelijk en het beroep tegen de toekenning ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank niet alle bezwaren had meegewogen en dat zijn uitkering eerder had moeten ingaan. De Raad oordeelde dat het beroep tegen de intrekking terecht niet-ontvankelijk was wegens termijnoverschrijding. Wel stelde de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte niet alle bezwaren tegen het besluit van 4 november 1994 had beoordeeld, waardoor vernietiging van dat deel van de uitspraak op zijn plaats was.
De Raad bevestigde dat appellant terecht was ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80% vanaf 4 januari 1989. Wel werd geoordeeld dat het besluit om de uitkering niet uit te betalen wegens inkomsten uit arbeid slechts voor 1989 geldig was en dat gedaagde geen rekening had gehouden met de medewerking van appellants echtgenote in het bedrijf, wat relevant was voor de berekening van het maatmaninkomen en de inkomsten.
Daarom werd het besluit tot niet-uitbetaling van de AAW-uitkering vernietigd. De Raad bevestigde het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep tegen de intrekking van de uitkering en verklaarde het beroep tegen de toekenning van de uitkering ongegrond. Het betaalde griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Besluit tot niet-uitbetaling van de AAW-uitkering vernietigd, beroep tegen toekenning ongegrond, beroep tegen intrekking niet-ontvankelijk verklaard.