ECLI:NL:CRVB:1998:AA3443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C.G. Kasdorp
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar en ontvankelijkheid bij beëindiging uitkering wegens feitelijk verblijf buiten gemeente
Het geschil betreft de beëindiging van een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) aan gedaagde, nadat hij zijn woning had verkocht en feitelijk buiten de gemeente verbleef. Appellant, het College van burgemeester en wethouders van Harderwijk, staakte en beëindigde de uitkering met ingang van 1 mei 1995 vanwege het niet melden van de verkoop en het feitelijke verblijf buiten de gemeente.
Gedaagde maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarbij onder meer werd vastgesteld dat het vermogen van gedaagde boven het vrij te laten vermogen lag, wat bijstandsverlening uitsloot. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van gedaagde gegrond en vernietigde dat besluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellant reeds een beslissing op bezwaar had genomen op 7 augustus 1995 waarin zowel de blokkering als de beëindiging van de uitkering was heroverwogen.
De Raad stelt vast dat het bezwaar van 12 april 1996 tegen het besluit van 30 mei 1995 buiten behandeling kon blijven omdat reeds op dat besluit was beslist. Daarmee was het besluit van 23 mei 1996 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar terecht. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de beëindiging van de uitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard.