ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- W.D.M. van Diepenbeek
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens reorganisatie zonder voldoende herplaatsingsinspanningen
Appellant was werkzaam als eerste medewerker Financiële en Administratieve Zaken bij het Gemeentelijk Woningbedrijf Rotterdam. Door een reorganisatie in 1990 werd zijn functie opgeheven en kreeg hij de C-status, met voorrang op vacatures binnen het bedrijf. Na een periode van arbeidsongeschiktheid werd zijn bezoldiging vanaf 1 juli 1992 verminderd tot tachtig procent, conform het Ambtenarenreglement.
In 1994 verleende de gemeente Rotterdam appellant ontslag wegens opheffing van zijn functie. De Raad toetste of de gemeente voldoende had gedaan om appellant te herplaatsen, zoals vereist volgens artikel 89 van Pro het Ambtenarenreglement. Hoewel appellant een weinig actieve houding aannam, stelde de Raad vast dat de gemeente geen passend aanbod had gedaan en na zijn arbeidsongeschiktheid niet actief naar functies had gezocht.
De Raad vernietigde daarom het ontslagbesluit en het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit. Het besluit tot bezoldigingsvermindering werd bevestigd omdat niet was gebleken dat de ziekte van appellant in overwegende mate werd veroorzaakt door de aard van het werk. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens door appellant geleden spanningen werd afgewezen. De gemeente werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende herplaatsingsinspanningen, de bezoldigingsvermindering wordt bevestigd en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.