ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.H. Hugenholtz
- J.C.F. Talman
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering uitkering vakantietoeslag na beëindiging dienstverband
Appellant was tot 1 juni 1993 in dienst bij een B.V. waarvan het dienstverband met wederzijds goedvinden werd beëindigd. In de beëindigingsovereenkomst werd finale kwijting verleend, maar appellant vorderde later alsnog betaling van vakantietoeslag over juni 1992 tot mei 1993. De werkgever weigerde deze betaling met verwijzing naar de kwijting. Na het faillissement van de werkgever vroeg appellant de bedrijfsvereniging om een uitkering op grond van artikel 61 WW Pro, welke werd geweigerd.
De curator erkende de vordering voorlopig, maar de bedrijfsvereniging stelde dat dit niet automatisch de rechtsgeldigheid van de vordering impliceerde. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de finale kwijting in de beëindigingsovereenkomst slechts betrekking had op de regeling rond de beëindiging van het dienstverband en niet op betalingsverplichtingen tot 1 juni 1993, waaronder vakantietoeslag.
De Raad oordeelde dat de bedrijfsvereniging ten onrechte de uitkering heeft geweigerd en vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beslissing waarbij rekening moet worden gehouden met de overwegingen van de Raad. Tevens werd de bedrijfsvereniging veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bedrijfsvereniging moet een nieuwe beslissing nemen en de uitkering vakantietoeslag toekennen omdat de finale kwijting niet ziet op betalingsverplichtingen tot de beëindiging van het dienstverband.