ECLI:NL:CRVB:1997:AA8804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- H.J. Grendel
- F.P. Zwart
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking AAW-uitkeringen ondanks overschrijding redelijke termijn
Appellanten A en C kregen hun AAW-uitkeringen ingetrokken per 1 juli 1991 door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), opvolger van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat de behandelingstermijn de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro had overschreden, waardoor de besluiten vernietigd zouden moeten worden of een schadevergoeding toegekend.
De Raad overwoog dat de intrekking van de uitkeringen rechtens geoorloofd was op grond van artikel IV van de Reparatiewet AAW, omdat appellanten in het jaar voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit arbeid hadden genoten. De Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot het ontstaan van aanspraken die niet in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen.
Verder stelde de Raad dat een vordering tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden ingesteld bij de burgerlijke rechter en dat hij zelf niet toetst aan mogelijke schadeplichtigheid van de bestuursrechter. De aangevallen uitspraken van de rechtbank worden bevestigd en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de AAW-uitkeringen en wijst het beroep tegen overschrijding van de redelijke termijn af.