ECLI:NL:CRVB:1997:AA8804

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 december 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
96/8243 AAW + 96/8241 AAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. Haverkamp
  • H.J. Grendel
  • F.P. Zwart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 1:3 AWBArt. 8:73 AWBArt. 8:75 AWBWet van 3 mei 1989, Stb. 126 (Reparatiewet AAW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking AAW-uitkeringen ondanks overschrijding redelijke termijn

Appellanten A en C kregen hun AAW-uitkeringen ingetrokken per 1 juli 1991 door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), opvolger van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat de behandelingstermijn de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro had overschreden, waardoor de besluiten vernietigd zouden moeten worden of een schadevergoeding toegekend.

De Raad overwoog dat de intrekking van de uitkeringen rechtens geoorloofd was op grond van artikel IV van de Reparatiewet AAW, omdat appellanten in het jaar voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit arbeid hadden genoten. De Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot het ontstaan van aanspraken die niet in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen.

Verder stelde de Raad dat een vordering tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden ingesteld bij de burgerlijke rechter en dat hij zelf niet toetst aan mogelijke schadeplichtigheid van de bestuursrechter. De aangevallen uitspraken van de rechtbank worden bevestigd en proceskosten worden niet vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de AAW-uitkeringen en wijst het beroep tegen overschrijding van de redelijke termijn af.

Uitspraak

96/8243 AAW + 96/8241 AAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
1. A, wonende te B, en
2. C, wonende te D, appellanten,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij een tweetal besluiten van 28 maart 1991 heeft gedaagde de aan beide appellanten toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met ingang van 1 juli 1991 ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij afzonderlijke uitspraken van 5 augustus 1996 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Namens appellanten heeft mr T.A.M. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld op de gronden, aangevoerd bij aanvullende beroepschriften van 7 november 1996.
Gedaagde heeft bij brieven van 19 december 1996 verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 1997. Appellanten zijn daar verschenen bij hun gemachtigde, mr Visser voornoemd. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr S.M. Ponsioen, werkzaam bij GAK Nederland B.V..
II. MOTIVERING
Bij de bestreden besluiten, strekkende tot intrekking van de eerder aan appellanten toegekende AAW-uitkeringen, is toepassing gegeven aan artikel IV van de Wet van 3 mei 1989, Stb. 126 (Reparatiewet AAW), onder de overweging dat beide appellanten in het jaar voorafgaande aan het intreden van hun arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit of in verband met arbeid hebben verworven.
In hoger beroep is namens appellanten niet meer bestreden dat intrekking van de AAW-uitkering met toepassing van bovenvermelde wetsbepaling rechtens geoorloofd is. Betoogd is dat de behandelingsduur van de gedingen bij de rechtbank de in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) genoemde redelijke termijn heeft overschreden en dat op die grond de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd, hetzij onder de bepaling van een latere intrekkingsdatum van de uitkering, hetzij onder instandlating van de rechtsgevolgen van de vernietiging en veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding. Aan een schending van artikel 6 EVRM Pro kan, in de zienswijze van appellanten, niet afdoen dat de rechtbank het nodig heeft geacht om alvorens een beslissing in de gedingen te geven het oordeel van het Hof van Justitie van de EG af te wachten omtrent de verbindendheid van artikel IV van de Reparatiewet AAW in het licht van het communautaire recht, welk oordeel is gegeven bij arresten van 24 februari 1994 (arrest Roks e.a., RSV 1994/214) en van 1 februari 1996 (arrest Posthuma-van Damme en Oztürk, RSV 1996/169).
De Raad is, met de rechtbank en overeenkomstig zijn inmiddels vaste rechtspraak, van oordeel dat in gevallen als het onderhavige, waarin het gaat om de vaststelling van een burgerlijk recht als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en om een beweerdelijke overschrijding van een redelijke termijn van behandeling door een rechterlijke instantie, die overschrijding niet kan leiden tot het ontstaan of de toekenning van aanspraken die niet in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen van, in casu, de AAW.
Een vordering tot vergoeding van -beweerdelijk- geleden schade dienen appellanten in te stellen bij de burgerlijke rechter. De Raad stelt zich op het standpunt dat hij in gevallen als de onderhavige in beginsel niet treedt in een beoordeling van het mogelijk schadeplichtig handelen van de bestuursrechter in verband met een gestelde schending van het redelijke-termijnvereiste van artikel 6 EVRM Pro.
Gelet op het vorenstaande komen de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking. Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr H.J. Grendel en mr F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr S. Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 1997.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) S. Breuls.