ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6325

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 1996
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
95/2421 ABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • Ch.J.G. Olde Kalter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:198 BWArt. 1:2 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:75 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep door zaakwaarnemer in bestuursrechtelijke bijstandszaak

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft een appellant, handelend als zaakwaarnemer van een betrokkene, beroep ingesteld tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Dit besluit betrof de weigering van bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet voor opnamekosten van de betrokkene.

De appellant stelde dat hij als zaakwaarnemer in de zin van artikel 6:198 e.v. van het Burgerlijk Wetboek het beroep kon instellen. De Raad overwoog echter dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is op dit beroep en dat alleen belanghebbenden, die een rechtstreeks belang bij het besluit hebben, beroep kunnen instellen. De Awb voorziet niet in de mogelijkheid dat een zaakwaarnemer namens een ander een beroep kan instellen.

Omdat de appellant niet door de betrokkene was gemachtigd en zelf geen belanghebbende was, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb, dat in uitzonderlijke gevallen een andere beoordeling kan rechtvaardigen.

De uitspraak benadrukt de restrictieve toelatingseisen voor het voeren van beroep in bestuursrechtelijke procedures en bevestigt dat zaakwaarneming geen grond is voor ontvankelijkheid in dit kader.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat een zaakwaarnemer geen beroep kan instellen volgens de Awb.

Uitspraak

95/2421 ABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], lid van de Raad van Bestuur van [naam], te [vestigingsplaats] (appellant), beweerdelijk
optredend als zaakwaarnemer van [betrokkene], laatstelijk
gewoond hebbend te [woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Rotterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 10 mei 1995 geweigerd
bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) te
verlenen voor de kosten van de opname van [betrokkene] in
[naam] te [vestigingsplaats], in de
periode van 23 oktober 1994 tot en met 16 december 1994.
Bij schrijven van 26 juni 1995 heeft [appellant], lid van
de Raad van Bestuur van [naam] te
[vestigingsplaats], beweerdelijk optredend als zaakwaarnemer van
[betrokkene], tegen die weigering beroep ingesteld bij de
Raad.
Bij brief van 8 september 1995 heeft [appellant],
voornoemd, nadere inlichtingen verstrekt.
Gedaagde heeft op 2 oktober 1995 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 juli 1996.
Aldaar is slechts gedaagde, vertegenwoordigd door
mr. J.W. van den Hurk, werkzaam bij de gemeente
Rotterdam, verschenen.
II. MOTIVERING
In het beroepschrift en in de brief van 8 september 1995
stelt [appellant], meergenoemd, dat hij in de hoedanigheid
van zaakwaarnemer als bedoeld in artikel 6:198 e.v. van
het Burgerlijk Wetboek (BW) voor [betrokkene] beroep instelt
tegen gedaagdes bestreden besluit.
De Raad overweegt dienaangaande dat op het
onderwerpelijke beroep de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) van toepassing is.
Ingevolge die wet kan tegen een besluit als het
onderwerpelijke slechts een belanghebbende, zijnde degene
wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken,
beroep instellen.
Ingevolge artikel 8:24 van Pro de Awb kan een partij in
persoon dan wel met bijstand een geding voeren of zich
door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. De Awb
voorziet niet in de mogelijkheid dat beroep wordt
ingesteld en een geding wordt gevoerd door een
zaakwaarnemer in de zin van artikel 6:198 e.v. van het
BW.
Nu [appellant], meergenoemd, te kennen heeft gegeven dat
hij niet door [betrokkene] is gemachtigd om haar in het
onderwerpelijke beroep te vertegenwoordigen en de Awb
niet toestaat dat hij de onderwerpelijke procedure als
zaakwaarnemer van [betrokkene] voert, moet hij geacht worden
voor zichzelf beroep te hebben ingesteld.
Aangezien hij niet kan worden aangemerkt als een
belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb bij
het in dit geding bestreden besluit, is de Raad van
oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Hetgeen bij beroepschrift en bij de brief van 8 september
1995 naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een
ander oordeel kunnen brengen.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan
artikel 8:75 van Pro de Awb.
Beslist is als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en
mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en
mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid
van mr. I. de Hartog als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 20 augustus 1996.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) I. de Hartog.
AS
2908