ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Boesjes
- Ch. de Vrey
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Verjaring van financiële aanspraken in ambtenarenzaken bij bezoldiging-na-ontslag wegens ziekte
De zaak betreft een hoger beroep van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam over de bezoldiging-na-ontslag wegens ziekte van een ambtenaar over de periode van 1 februari 1982 tot 1 februari 1983.
De ambtenaar was sinds 1 maart 1980 werkzaam als arts en op eigen verzoek per 1 februari 1982 ontslagen. Zij ontving vanaf november 1982 een gekorte WWV-uitkering en werd door het ABP per 1 mei 1984 met pensioen gesteld wegens blijvende ongeschiktheid. In 1988 verzocht zij alsnog om uitbetaling van de bezoldiging over de genoemde periode, waarop het College haar verzoek niet-ontvankelijk verklaarde vanwege verjaring.
De Raad stelt vast dat de verjaringstermijn voor financiële aanspraken in het ambtenarenrecht vijf jaar bedraagt en dat deze termijn begint te lopen vanaf het moment dat de ambtenaar redelijkerwijs in actie had kunnen komen. Omdat het verzoek pas in 1988 werd gedaan, terwijl de aanspraken al vanaf 1982 opeisbaar waren, was het beroep op verjaring terecht. De Raad oordeelt echter dat de niet-ontvankelijkverklaring onjuist was en dat het verzoek had moeten worden afgewezen.
De Raad benadrukt dat de verjaring niet betekent dat de schuld vervalt, maar dat de vordering niet meer afdwingbaar is. Tevens wijst de Raad op het belang van rechtszekerheid en dat de bevoegdheid om een bestuursorgaan te verzoeken terug te komen op een besluit niet aan verjaring onderhevig is. De uitspraak bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart de nietigheid van het bestreden besluit voor de betreffende periode voor gedekt.
Uitkomst: Het verzoek om bezoldiging-na-ontslag wegens ziekte over de periode 1 februari 1982 tot 1 februari 1983 is afgewezen wegens verjaring, maar de niet-ontvankelijkverklaring was onjuist.