ECLI:NL:CRVB:1995:ZB4748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Boesjes
- Ch. de Vrey
- A.J.Th. Dörenberg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek aanstelling in vaste dienst bij tijdelijk werk
Eiser was van 1 oktober 1986 tot 1 januari 1993 werkzaam bij gedaagde, aanvankelijk op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten en vanaf 1 januari 1990 op basis van een tijdelijke aanstelling. Hij verzocht om aanstelling in vaste dienst, maar dit verzoek werd op 9 december 1991 afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond, waarna eiser in hoger beroep ging.
Eiser stelde dat hij voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar onafgebroken dienstverband zonder onderbreking langer dan een maand, zoals vereist in artikel 6, lid 5 AVR-ABP, en dat de uitzondering dat werkzaamheden binnen een jaar zouden eindigen niet van toepassing was. Gedaagde baseerde haar besluit op die uitzondering en voerde later aan dat de tijd als arbeidscontractant niet meetelde voor de vijf jaar. De rechtbank volgde deze uitleg.
De Raad overwoog echter dat het tijdelijke karakter van het werk doorslaggevend is, ongeacht of het op basis van een ambtelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst is. Omdat eiser steeds werk van tijdelijk karakter verrichtte, voldeed hij aan de vijf jaar onafgebroken dienstverband. Ook stond niet vast dat zijn werkzaamheden binnen een jaar zouden eindigen.
Gedaagde voerde daarnaast aan dat op grond van artikel 6, lid 4 AVR-ABP, zodra de tijdelijke omstandigheid wegvalt, een vaste aanstelling volgt, tenzij er bezwaren zijn. De personeelsinkrimping vormde een dergelijk bezwaar. De Raad concludeerde dat gedaagde redelijkerwijs tot het bestreden besluit kon komen en dat het besluit niet nietig was. De aangevallen uitspraak bleef in stand en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek tot aanstelling in vaste dienst wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.