ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3048

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 1995
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
Premie 94/63 t/m Premie 94/68
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16b CwSVArt. 8:72 lid 4 AwbArt. 3 Besluit proceskostenbestuursrechtArt. 25 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid eigenbouwers voor premieschulden onderhoudsbedrijf in faillissement

Appellanten, een groep aan elkaar gelieerde ondernemingen actief in onroerend goed, lieten onderhoudswerkzaamheden uitvoeren door een bedrijf dat failliet ging met aanzienlijke premieschulden. De Raad stelde vast dat deze werkzaamheden tot de normale bedrijfsuitoefening van appellanten behoren en dat zij de algehele leiding hadden over de uitbestede werkzaamheden, mede gelet op een beheersovereenkomst en directe opdrachten aan het onderhoudsbedrijf.

De rechtbank had in eerste aanleg de beroepen van appellanten ongegrond verklaard, maar verzuimde de oorspronkelijke beslissingen te vernietigen na wijziging van de aansprakelijkstellingen. De Raad vernietigde deze beslissingen alsnog en oordeelde dat de gewijzigde aansprakelijkstellingen, waarbij 80% van de omzet als loonkosten werd aangemerkt en netto lonen werden gebruteerd, juist zijn.

Appellanten voerden aan dat 40% een betere schatting was, maar de Raad vond de schatting van 80% aannemelijk gezien de omstandigheden en het ontbreken van een sluitende administratie. De Raad veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten en griffierechten en bevestigde de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellanten voor de premieschulden over de jaren 1985 tot en met 1987.

Uitkomst: Appellanten worden als eigenbouwers hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor premieschulden van het failliete onderhoudsbedrijf, met bevestiging van de juiste premiehoogte en veroordeling van gedaagde in proceskosten.

Uitspraak

Premie 1994/63
Premie 1994/64
Premie 1994/65
Premie 1994/66
Premie 1994/67
Premie 1994/68
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
1. [B.V. 1], gevestigd te 's-Gravenhage,
2. [B.V. 2], gevestigd te 's-Gravenhage,
3. [B.V. 3], gevestigd te 's-Gravenhage,
4. [B.V. 4], gevestigd te 's-Gravenhage,
5. [N.V. 5] thans gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen,
6. [B.V. 6], gevestigd te Rotterdam, appellanten,
en
het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 28 november 1989 heeft gedaagde aan appellante 1 kennis gegeven van zijn beslissing appellante 1 op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CwSV) tot bedragen van f 5.848,80 over 1985 en van f 11.633,24 over 1986 als zogenaamde "eigenbouwer" hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de premies ingevolge de Ziektewet, de Ziekenfondswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet, verschuldigd door [vdM] (hierna: [VdM]) te 's-Gravenhage, ter zake van werkzaamheden, die [VdM] voor appellante 1 in die jaren heeft verricht.
Aan appellante 2 is onder dagtekening 28 november 1989 een soortgelijke beslissing verzonden, met dien verstande dat de premiebedragen respectievelijk f 2.434,15 over 1985, f 25.489,38 over 1986 en f 1.322,20 over 1987 bedragen.
Aan appellante 3 is onder dagtekening 28 november 1989 een soortgelijke beslissing verzonden, met dien verstande dat de premiebedragen respectievelijk f 737,01 over 1985, f 19.635,71 over 1986 en f 635,28 over 1987 bedragen.
Aan appellante 4 is onder dagtekening 28 november 1989 een soortgelijke beslissing verzonden, met dien verstande dat de premiebedragen respectievelijk f 6.727,99 over 1985, f 17.561,00 over 1986 en f 6.498,07 over 1987 bedragen.
Aan appellante 5 is onder dagtekening 28 november 1989 een soortgelijke beslissing verzonden, met dien verstande dat de premiebedragen respectievelijk f 973,73 over 1985, f 2.074,73 over 1986 en f 1.435,57 over 1987 bedragen.
Aan appellante 6 tenslotte is onder dagtekening 28 november 1989 een soortgelijke beslissing verzonden, met dien verstande dat de premiebedragen respectievelijk f 7.632,01 over 1986 en f 887,33 over 1987 bedragen.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 20 januari 1994 de namens appellanten tegen die beslissingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Namens appellanten is door L. Belder, werkzaam bij Coopers & Lybrand, belastingadviseurs te 's-Gravenhage, tegen die uitspraak bij de Raad hoger beroep ingesteld. In aanvullende beroepschriften van 8 juni 1994 zijn de gronden uiteengezet waarop de beroepen berusten.
Gedaagde heeft op 22 december 1994 verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 mei 1995, waar voor appellanten is verschenen mr P.M.M. Boers, werkzaam bij Coopers & Lybrand, belastingadviseurs te 's-Gravenhage, en waar voor gedaagde is verschenen mr H.J. van Werven, werkzaam bij gedaagdes bedrijfsvereniging.
II. MOTIVERING
In deze gedingen staat centraal de vraag of gedaagde appellanten terecht heeft beschouwd als zogeheten "eigenbouwers" als bedoeld in artikel 16b, derde lid, van de CwSV, en de vraag of gedaagde de hoogte van de premiebedragen waarvoor appellanten aansprakelijk zijn gesteld, op een juiste wijze heeft berekend.
Omtrent de vraag naar het eigenbouwerschap van appellanten overweegt de Raad het volgende.
Appellanten vormden in de jaren waarop de bestreden beslissingen zien, een groep van aan elkaar gelieerde ondernemingen op het terrein van de aan- en verkoop van onroerende zaken, alsmede het beheer en de exploitatie daarvan. Appellanten kenden één en dezelfde directie. Onderhoudswerkzaamheden aan het omvangrijke bezit van appellanten lieten zij destijds onder meer uitvoeren door [VdM], die op 30 november 1988 in staat van faillissement is verklaard, onder achterlating van aanzienlijke premieschulden.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 december 1991 in de gedingen tussen appellanten 1, 2, 4 en 5 en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, Premie 1990/352, 353 en 354, stelt de Raad voorop dat de - in deze gevallen aan [VdM] - uitbestede reparatie – en onderhoudswerkzaamheden moeten worden gerekend tot de normale bedrijfsuitoefening van appellanten.
Mede gelet op hetgeen voorts bij evengenoemde uitspraak is overwogen staat de Raad thans nog voor de vraag of, nu appellanten werkzaamheden als door [VdM] verricht niet zelf met eigen personeel uitvoerden, er voldoende objectieve en concrete aanknopingspunten voorhanden zijn om te concluderen dat bij appellanten de algehele leiding berustte over de door [VdM] tot stand gebrachte werken. Daarvoor is in elk geval vereist enige aanwijsbare professionele deskundigheid bij appellanten ten aanzien van de betrokken werkzaamheden, welke deskundigheid verder dient te gaan dan de deskundigheid van een "normale" opdrachtgever.
Aanknopingspunten als evenbedoeld acht de Raad in voldoende mate voorhanden om op basis daarvan te oordelen dat het er voor moet worden gehouden dat de algehele leiding bij de door [VdM] uitgevoerde werkzaamheden bij appellanten berustte.
De Raad wijst hierbij allereerst op de overeenkomst tussen appellanten en de makelaardij Gemako B.V. te 's-Gravenhage inzake het beheer van (een deel van) de onroerende zaken van appellanten. Uit deze overeenkomst blijkt dat voor kleine reparaties aan het bezit van appellanten deze makelaar direct op naam en voor rekening van appellanten opdrachten kon geven aan [VdM]. Voor meer omvangrijke werkzaamheden diende eerst overleg plaats te vinden met en goedkeuring verkregen te worden van de directie van appellanten. Reeds deze beheersovereenkomst doet zien dat appellanten een wezenlijke invloed uitoefenden op de aan [VdM] uitbestede werkzaamheden. De Raad is van oordeel dat het door Gemako B.V. in naam van appellanten gevoerde beheer dient te worden toegerekend aan appellanten.
Voorts wijst de Raad erop dat appellanten ook met regelmaat rechtstreeks opdrachten verstrekten aan [VdM] en ook aldus daarop invloed hadden.
Gelet op de aard van de door [VdM] verrichte werkzaamheden en de continue stroom van opdrachten acht de Raad niet aannemelijk dat de directe of indirecte bemoeienis van de zijde van appellanten met die werkzaamheden niet een professioneel karakter hebben gehad. Deze werkzaamheden vervulden immers een functie met het oog op de commerciële, op winst gerichte doelstelling van appellanten. De panden die appellanten verwierven en al dan niet kortstondig beheerden, vormden daarbij bij uitstek de bedrijfsmiddelen van de bedrijven van appellanten. Kennis van zaken, in het bijzonder met betrekking tot de staat van onderhoud waarin deze panden verkeerden en de invloed van de bouwkundige staat op de prijsstelling, moet in dat licht onontbeerlijk zijn geweest.
Tot slot wijst de Raad in dit verband op enkele door [VdM] bij appellanten ingediende rekeningen, waarin zinsneden zijn te vinden als "volgens bijgaande tekening en uw bestek", "conform uw werk- en prijsomschrijving", "conform uw opgave en tekening", "volgens tekening en opgave", "conform voorschriften en onze besprekingen dienaangaande", dan wel eenvoudigweg "conform tekening". Ook hieruit blijkt een professionele bemoeienis van de zijde van appellanten met de door Van der Maat uitgevoerde werkzaamheden.
De Raad voegt aan het vorenstaande nog toe dat hij appellanten niet kan volgen in hun gevolgtrekking dat, aangezien het initiatief tot het verrichten van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden veelal uitging van de huurders van hun woningen, in welk geval appellanten alleen de aanvragen om subsidies begeleidden, dan wel van de gemeentelijke dienst Bouw- en Woningtoezicht, om die reden de algehele leiding niet bij hen berustte. Uit deze gestelde omstandigheden - wat daarvan ook verder moge zijn – valt geenszins de conclusie te trekken dat de algehele leiding berustte bij een op de staat van onderhoud van woningen en andere bouwwerken van overheidswege ingestelde, toezichthoudende instantie, laat staan bij de huurders. Voor zover appellanten zulks ook niet hebben beoogd te stellen, merkt de Raad op dat zij niet hebben aangegeven bij wie de algehele leiding in hun optiek dan wel berustte. Vast staat dat [VdM] zijn rekeningen indiende bij appellanten en appellanten deze rekeningen ook betaalden. Ook overigens kan niet worden staande gehouden dat appellanten slechts als intermediair fungeerden.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat gedaagde appellanten terecht als met aannemers gelijk te stellen zogenaamde eigenbouwers heeft aangemerkt en dat zij deswege terecht op grond van artikel 16b van de CwSV zijn aangesproken voor de door [VdM] verschuldigde premiebedragen.
Omtrent de hoogte van de premiebedragen, waarvoor appellanten aansprakelijk zijn gesteld, overweegt de Raad het volgende.
In de loop van de procedure in eerste aanleg is gedaagde tot andere inzichten gekomen ten aanzien van de berekening van de van appellanten gevorderde bedragen. Dit heeft geleid tot een verlaging van deze bedragen.
Bij brieven van 19 mei 1993 heeft gedaagde appellanten op dit punt gewijzigde beslissingen doen toekomen. De rechtbank heeft vervolgens de beroepen van appellanten mede gericht geacht tegen deze gewijzigde beslissingen.
De Raad moet echter vaststellen dat de rechtbank bij haar beslissing op de namens appellanten bij haar ingestelde beroepen geen acht meer heeft geslagen op de beslissingen, vervat in de in deze uitspraak onder rubriek I genoemde kennisgevingen van 28 november 1989, tegen welke beslissingen appellanten bij haar beroep hadden ingesteld.
Gelet op de vanwege gedaagde in eerste aanleg gegeven redenen voor het terugkomen van deze bestreden beslissingen voor wat betreft de hoogte van de bedragen waarvoor appellanten aansprakelijk zijn gesteld, is de Raad met gedaagde van oordeel dat deze beslissingen op dit punt geen stand kunnen houden. Deze beslissingen dienen dan ook te worden vernietigd. Nu de rechtbank bij de aangevallen uitspraak deze gevolgtrekking niet heeft gemaakt, dient deze uitspraak op dit onderdeel eveneens te worden vernietigd.
De Raad overweegt voorts het volgende.
Bij zijn gewijzigde aansprakelijkheidstellingen van 19 mei 1993 heeft gedaagde als uitgangspunt genomen dat 80% van de door Van der Maat bij appellanten gerealiseerde omzet uit loonkosten bestond.
Voorts is gedaagde uitgegaan van een uit de (incomplete) administratie van [VdM] blijkend gefactureerd uurloon van f 38,50 per werknemer. Op basis van deze uitgangspunten heeft gedaagde het aantal uren berekend dat [VdM] en zijn werknemers voor appellanten hebben gewerkt. Van dit aantal is het aantal uren dat [VdM] heeft meegewerkt afgetrokken.
Het aantal uren dat de werknemers van [VdM] werkzaam zijn geweest voor appellanten, is vermenigvuldigd met het nettoloon dat [VdM] zijn werknemers per uur uitbetaalde. Het netto uitbetaalde loon is vervolgens gebruteerd met een factor 100/55. Over de uitkomst van deze berekening zijn de verschuldigde premies ingevolge de sociale-verzekeringswetten berekend.
In hoger beroep is van de zijde van appellanten uitsluitend bestreden de schatting van gedaagde dat 80% van de gerealiseerde omzet uit loonkosten heeft bestaan. Naar hun mening zou een schatting van 40% meer in overeenstemming met de werkelijkheid zijn.
Deze grief faalt. Gedaagde heeft zich bij zijn schatting laten leiden door gegevens, aangereikt door het Nederlands Verbond van Ondernemers in het Bouwbedrijf. De Raad vermag niet in te zien, waarom gedaagde aldus tot een onjuiste schatting is gekomen, te minder nu appellanten hun stellingen niet nader hebben onderbouwd en overigens verzuimd hebben een administratie te voeren, aan de hand waarvan het bedrag aan loon had kunnen worden vastgesteld dat in de door [VdM] ingediende rekeningen was begrepen. Op grond van artikel 16b, achtste lid, van de CwSV waren zij gehouden zodanige administratie te voeren.
Gelet op hetgeen voorts uit de stukken naar voren is gekomen, moet het er voor worden gehouden dat [VdM] loonbetalingen heeft gedaan onder omstandigheden die verhaal op zijn werknemers van de ten onrechte achterwege gebleven inhoudingen bij voorbaat uitsloten. De in deze gevallen toegepaste -en door appellanten niet bestreden- verhogingen van de uitbetaalde nettolonen bij wege van het bruteren acht de Raad dan ook toelaatbaar.
De gewijzigde beslissingen houdt de Raad derhalve niet voor onjuist. Hierin ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 26 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaken te voorzien.
In al hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Raad voorts aanleiding gedaagde te veroordelen in de door appellanten in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, begroot op een bedrag van f 4.260,--. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Hierbij heeft de Raad toepassing gegeven aan artikel 3 van Pro het Besluit proceskostenbestuursrecht.
Bovendien dient gedaagdes bedrijfsvereniging, gelet op artikel 25 van Pro de Beroepswet het door appellanten in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en de bestreden beslissingen, voor wat betreft de hoogte van de bedragen waarvoor appellanten bij deze beslissingen aansprakelijk zijn gesteld;
Verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
Bepaalt dat
- appellante 1 hoofdelijk aansprakelijk is tot een bedrag van f 12.091,24 (f 4.632,48 over 1985 en f 7.458,76 over 1986),
- appellante 2 hoofdelijk aansprakelijk is tot een bedrag van f 19.207,20 (f 1.927,88 over 1985, f 16.357,98 over 1986 en f 921,34 over 1987),
- appellante 3 hoofdelijk aansprakelijk is tot een bedrag van f 13.628,74 (f 583,88 over 1985, f 12.602,18 over 1986 en f 442,68 over 1987),
- appellante 4 hoofdelijk aansprakelijk is tot een bedrag van f 21.130,18 (f 5.328,64 over 1985, f 11.274,15 over 1986 en f 4.527,39 over 1987),
- appellante 5 hoofdelijk aansprakelijk is tot een bedrag van f 3.099,08 (f 771,13 over 1985, f 1.327,66 over 1986 en f 1.000,29 over 1987), en
- appellante 6 hoofdelijk aansprakelijk is tot een bedrag van f 4.341,51 (f 3.726,26 over 1986 en f 615,25 over 1987);
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag vanf 4.260,--, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging;
Bepaalt dat gedaagdes bedrijfsvereniging aan appellanten de door hen betaalde griffierecht en van in totaal f 3.750,-- (6 maal f 625,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mrG.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 1995 door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier.
(get.) G.P.A.M. Garvelink- (get.) A.F.M. Brenninkmeijer.
Jonkers.
(get.) L.H. Vogt. (get.) G. Leppink-Kooistra.