ECLI:NL:CRVB:1993:ZB1895

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 1993
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAO 89/53
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.A.W. Hermans
  • M.I. 't Hooft
  • Chr. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepassing artikel 44 WAO op korting wegens inkomsten uit deeltijdfunctie als docent

Eiser is in hoger beroep gekomen tegen een beslissing van het bestuur van de Bedrijfsvereniging die een korting toepaste op zijn WAO-uitkering wegens inkomsten uit een deeltijdfunctie als docent. De eerdere uitspraak van de Raad van Beroep had deze korting vernietigd.

De centrale vraag betrof of ook studiekosten en verbouwingskosten van een studeerkamer in aanmerking konden worden genomen als aftrekbare verwervingskosten bij de berekening van de korting op de WAO-uitkering. De Raad oordeelde dat alleen daadwerkelijk gemaakte autokosten die eiser als docent had, aftrekbaar zijn. De door eiser opgevoerde studiekosten en verbouwingskosten hebben geen relevant verband met de inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in artikel 44 WAO Pro en kunnen daarom niet worden meegenomen.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en verwierp de grieven van eiser. Tevens werd de berekening van de autokosten door het bestuur als juist beoordeeld. Het hoger beroep werd daarmee ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat alleen daadwerkelijk gemaakte autokosten aftrekbaar zijn bij toepassing van artikel 44 WAO en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

WAO 1989/53
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Eiser is in hoger beroep gekomen van een door de voormalige Raad van Beroep
te 's-Hertogenbosch onder dagtekening 8 maart 1989 tussen partijen gewezen uitspraak.
Bij die uitspraak heeft de Raad van Beroep het vanwege eiser bij die raad
ingestelde beroep tegen de -hier in afschrift aangehechte- voor beroep
vatbare beslissing van gedaagde d.d. 19 juni 1987 ongegrond verklaard en
die beslissing vernietigd.
Partijen hebben de Raad onderscheidene stukken doen toekomen, daaronder
begrepen een bij begeleidend schrijven van eiser d.d. 29 oktober 1992 (met
bijlagen) toegezonden toelichting op het ingestelde hoger beroep en een
reactie daarop van de zijde van gedaagde, neergelegd in een brief van 23
december 1992 (met bijlagen).
Het geding is achtereenvolgens behandeld ter terechtzitting van de Raad
gehouden op 7 juli 1992 en op 6 april 1993 waar voor gedaagde telkens is
opgetreden mr. H.J.A. Bos, werkzaam bij het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor. Eiser is ter terechtzitting van 7 juli 1992 niet en
ter terechtzitting van 6 april 1993 in persoon verschenen.
II. MOTIVERING
Bij de hiervoor onder I vermelde bestreden beslissing heeft gedaagde -
onder meer- besloten met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO op de aan
eiser ingevolge die wet toegekende uitkering een korting toe te passen
wegens door eiser uit de door hem verworven (deeltijd)functie als docent
genoten inkomsten.
Die beslissing is, zoals onder I aangegeven, bij de aangevallen uitspraak
vernietigd.
Eisers bezwaar in hoger beroep, zoals door de Raad mede en met name gelet
op de daarop ter terechtzitting verstrekte toelichting verstaan, is
gericht tegen de in de aangevallen uitspraak -onder meer- neergelegde
zienswijze van de eerste rechter, inhoudend dat in het onderhavige geval
bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 44
van de WAO als aftrekbare verwervingskosten uitsluitend in aanmerking komen
de uit hoofde van eisers docentschap daadwerkelijk te zijnen laste gebleven
autokosten en dat derhalve de door eiser in verband met de door hem
destijds volbrachte studie sociologie opgevoerde uitgaven, in totaal
gesteld op ƒ 34.933,- (studiekosten) plus ƒ 19.669,- (verbouwingskosten studeerkamer)
buiten beschouwing moeten blijven.
De door eiser tegen de zoëven bedoelde -door de Raad als partijen bindend
beschouwde- overwegingen van de eerste rechter aangevoerde grieven treffen
naar 's Raads oordeel geen doel en wel reeds om deze reden, dat tussen de
aan de orde zijnde inkomsten in de zin van voormeld artikel 44 en Pro de door
eiser te berde gebrachte verbouwings- en studiekosten geen in het kader van
genoemde bepaling relevant te achten verband aanwezig is. Hierop is van de
zijde van gedaagde in de door mr. P.J. van Ogtrop opgestelde nota van 3
januari 1990 met juistheid gewezen.
Ten gerieve van partijen voegt de Raad aan het vorengaande
-strikt genomen: ten overvloede- toe dat hij de in de bij de zojuist
genoemde nota behorende bijlage vervatte berekening met betrekking tot
voormelde autokosten evenmin voor onjuist kan houden.
Het vorenoverwogene in aanmerking genomen heeft de Raad in hetgeen door
eiser ter zake is aangevoerd geen grond gevonden om anders te beslissen dan
hierna onder III is aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep
aangevochten.
Aldus gegeven door mr. P.A.W. Hermans als voorzitter en mr. M.I. 't Hooft
en mr. Chr. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.D.W.
Smit-van Valkenhoef als griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 1993 door voornoemde voorzitter, in
tegenwoordigheid van T.W.J.M. Weijers als griffier.
(get.) P.A.W. Hermans.
(get.) T.W.J.M. Weijers. (get.) M.D.W. Smit-van Valkenhoef.