ECLI:NL:CRVB:1991:ZB4510

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 1991
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
AW 88/653
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57, tweede lid, ARARArt. 16 ARAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring ontheffing bedrijfsmaatschappelijk werker wegens niet tijdige herplaatsing

De zaak betreft een ambtenaar die op 5 augustus 1987 ontheven werd van zijn functie als bedrijfsmaatschappelijk werker bij het ministerie van Defensie. Het Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage had dit besluit op 11 november 1988 nietig verklaard. De Staatssecretaris van Defensie ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit, hoewel bedoeld als eerste stap tot overplaatsing conform art. 57, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), feitelijk een ontheffing sec betrof omdat binnen bijna drieënhalf jaar geen herplaatsing had plaatsgevonden. Het ARAR kent de ontheffing sec niet, waardoor het besluit strijdig is met het reglement en nietig verklaard moet worden.

De Raad merkte voorts op dat de ambtenaar zich in de korte periode van zijn werkzaamheden bij de afdeling Burgerpersoneel op een wijze had gedragen die de vervulling van zijn functie ernstig bemoeilijkte, wat een wegplaatsing in het belang van de dienst rechtvaardigde. Na een reorganisatie bestond de functie niet meer in de oude vorm, maar er waren nog vacatures binnen de nieuwe structuur. De Raad sprak het vertrouwen uit dat partijen spoedig tot wedertewerkstelling zullen komen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van het Ambtenarengerecht en verklaarde het bestreden besluit nietig.

Uitkomst: Het besluit tot ontheffing is nietig verklaard omdat binnen een redelijke termijn geen herplaatsing heeft plaatsgevonden.

Uitspraak

AW 1988/653
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31 januari 1991
Uitspraak in het geding tussen:
de Staatssecretaris van Defensie, eiser,
en
S, wonende te A, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 5 augustus 1987 heeft eiser gedaagde ontheven van zijn functie van bedrijfsmaatschappelijk werker bij de afdeling Burgerpersoneelszaken Ministerie van de Directie burgerpersoneel van het ministerie van Defensie.
Het Ambtenarengerecht te ”s-Gravenhage heeft dit besluit bij uitspraak van 11 november 1988, nr. AW 1987/1422, nietig verklaard.
Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 10 januari 1991. Eiser heeft zich daar doen vertegenwoordigen door W.G.A. van der Wansem, hoofd van de afdeling Personeelszaken Centrale Organisatie van het ministerie van Defensie. Gedaagde is in persoon verschenen met bijstand van Mr. J. Pen, advocaat te Amsterdam, als zijn raadsman.
II. Motivering
Gedaagde was sinds 1 juli 1984 werkzaam als bedrijfsmaatschappelijk werker bij de directie Burgerpersoneelszaken van het ministerie van Defensie. Tot 1 april 1987 werkte hij voor de afdeling Burgerpersoneelszaken Koninklijke marine te Den Haag. In die periode heeft hij tevens, in afnemende mate, de functie van bedrijfsmaatschappelijk werker bij de Rijkswerf te Den Helder waargenomen. Per 1 april 1987 (effectief per 13 april 1987) is gedaagde overgeplaatst naar de afdeling Burgerpersoneelszaken ministerie te Den Haag.
Bij het bestreden besluit heeft eiser gedaagde ontheven van zijn functie met de bedoeling hem zo spoedig mogelijk in goed overleg onder eisers gezagsbereik te herplaatsen in een andere functie van bedrijfsmaatschappelijk werker.
Mede als gevolg van gedaagdes ziekmelding en onbereikbaarheid heeft het geruime tijd geduurd voor eiser concrete herplaatsingsstappen heeft ondernomen. Eerst eind 1988/begin 1989 heeft eiser gedaagde - na enige gesprekken waarbij hem enkele keuzemogelijkheden voor wat betreft functies van bedrijfsmaatschappelijk werker in diverse standplaatsen waren voorgelegd - verplaatst naar Arnhem, waar hij, zodra de Rijks Bedrijfsveiligheids- en Bedrijfsgezondheidsdienst hem arbeidsgeschikt verklaard zou hebben, zijn werkzaamheden zou hebben kunnen aanvangen.
Toen gedaagde echter, hoewel hij de functie in Arnhem op zichzelf passend achtte, tegen deze plaatsing beroep instelde omdat hij in zijn functie in Den Haag wenste terug te keren, heeft eiser dit herplaatsingsbesluit ingetrokken en ervoor gekozen de afloop van het onderhavige twistgeding af te wachten.
Nu gedaagdes herplaatsing aldus, bijna drieeneenhalf jaar na de ontheffing, nog steeds niet is gerealiseerd, moet het bestreden besluit, ofschoon ooit bedoeld als de eerste stap van een overplaatsing in de zin van art. 57, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), naar ”s Raads oordeel worden gekwalificeerd als een ontheffing sec. De Raad heeft al vaker overwogen dat het ARAR - in tegenstelling tot sommige andere rechtspositieregelingen en afgezien van een bijzonder geval als geregeld in art. 16 ARAR Pro - de figuur van de ontheffing uit de functie sec niet kent. Dit brengt mee dat het bestreden besluit wegens strijd met het ARAR voor nietigverklaring in aanmerking komt.
De Raad acht het geraden om, zij het in een overweging ten overvloede, alle getuige- en partijverklaringen overziende, ten aanzien van het materiele punt van geschil op te merken dat genoegzaam aannemelijk is dat gedaagde in de korte tijd, dat hij bij de afdeling Burgerpersoneel ministerie heeft gewerkt, zich met name met betrekking tot de afluisterkwestie en de ongewenste intimiteiten, hoe goed bedoeld wellicht ook, heeft gedragen op een wijze die een vruchtbare vervulling van de functie van bedrijfsmaatschappelijk werker bij die afdeling ernstig bemoeilijkte, en wel in zodanige mate dat eiser zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat een wegplaatsing van gedaagde in het belang van de dienst noodzakelijk was.
Ter zitting is gebleken dat eisers functie na een reorganisatie niet meer bestaat in de vorm zoals die in 1987 bestond, dat er binnen de nieuwe organisatiestructuur enige vacatures voor de functie van bedrijfsmaatschappelijk werker bestaan, en dat eiser nog immer voornemens is gedaagde te herplaatsen. Gelet op de ter zake ter zitting door eisers gemachtigde en door gedaagde gedane uitlatingen spreekt de Raad het vertrouwen uit dat partijen er thans spoedig in zullen slagen een wedertewerkstelling van gedaagde te realiseren.
Beslist moet worden als volgt:
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende in naam der Koningin!
Bevestigt de aangevallen uitspraak.