ECLI:NL:CRVB:1990:ZB4441

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 november 1990
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
AW 89/45
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag universitair docent na reorganisatie subfaculteit Biologie

Eiseres, een universitair docent aan de Rijksuniversiteit Utrecht, werd eervol ontslagen wegens opheffing van haar betrekking binnen de subfaculteit der Biologie. Het Ambtenarengerecht had het beroep van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarna zij in hoger beroep kwam bij de Centrale Raad van Beroep.

Eiseres stelde dat de reorganisatie onjuist was uitgevoerd doordat de universiteit projectgroepen in plaats van vakgroepen als kleinste organisatorische eenheid hanteerde, waardoor zij onterecht als eerst aangewezene voor ontslag werd beschouwd. Tevens voerde zij aan dat de herplaatsingsinspanningen onvoldoende waren geweest.

De Raad oordeelde dat de keuze voor projectgroepen als organisatorische eenheid binnen de grenzen van de beleidsvrijheid van de universiteit viel en dat geen algemeen verbindend voorschrift of beginsel van behoorlijk bestuur werd geschonden. Daarnaast was de herplaatsingsplicht zorgvuldig nagekomen, waarbij eiseres weliswaar in aanmerking was genomen voor vacatures, maar de voorkeur aan anderen was gegeven op aanvaardbare gronden.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het eerdere oordeel en het ontslagbesluit, waarmee het beroep van eiseres werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het eervol ontslag van eiseres na reorganisatie.

Uitspraak

Uitspraak in het geding tussen:
Dr. B-N, wonende te G, eiseres,
en
het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Utrecht, gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 26 mei 1987 heeft gedaagde eiseres met ingang van 1 september 1987 wegens opheffing van haar betrekking eervol ontslag verleend als universitair docent in de subfaculteit der Biologie.
Het Ambtenarengerecht te Utrecht heeft het door eiseres tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 27 december 1988, nr. AW 1987/296, ongegrond verklaard.
Eiseres is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft van contra-memorie gediend.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 11 oktober 1990.
Eiseres is, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon verschenen, met bijstand van Mr. W. E. van der Kolk-Bal, directeur van het bureau van de Vereniging van Academici bij het Wetenschappelijk Onderwijs te Utrecht, als haar raadsvrouwe.
Gedaagde, ambtshalve opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich doen vertegenwoordigen door Mr. Th. A. Velo en Dr. W. J. C. Amesz, beiden werkzaam bij gedaagdes universiteit.
II. Motivering
Voor een weergave van de in dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Eiseres heeft - kort samengevat - tegen het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak aangevoerd, dat gedaagde bij het totstandbrengen van de reorganisatie van de subfaculteit der Biologie onjuist heeft gehandeld door te kiezen voor de projectgroep als kleinste organisatorische eenheid. Zou, aldus eiseres, evenals elders binnen de Rijksuniversiteit Utrecht en de andere universiteiten in den lande, gewoon de vakgroep als kleinste organisatorische eenheid zijn gehanteerd, dan zou bij inkrimping van de vakgroep waartoe eiseres behoorde, sprake zijn geweest van overtolligheid, in welk geval eiseres, gezien de in art. 96, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement vermelde volgorde en de duur van haar dienstverband, niet de eerstaangewezene zou zijn geweest voor ontslag. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de herplaatsingsinspanningen van gedaagde onvoldoende zijn geweest.
De Raad is met de eerste rechter van oordeel dat gedaagde de grenzen van zijn vrijheid om de organisatie van de dienst in te richten niet heeft overschreden door per projectgroep, als historisch gegroeide entiteit, te bepalen of deze in de nieuwe organisatiestructuur al dan niet zou terugkeren. Er valt geen algemeen verbindend voorschrift of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aan te wijzen dat zich tegen de door gedaagde gemaakte keuze voor een projectgroepgewijze benadering van de reorganisatie verzet. Niet is gesteld of gebleken dat anderszins aan het reorganisatiebesluit en de daarin besloten liggende opheffing van eiseresses betrekking gebreken kleven van zodanige aard dat dat besluit niet meer zou mogen dienen als basis voor het bestreden ontslagbesluit.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting heeft de Raad, evenals de eerste rechter, de overtuiging verkregen dat gedaagde in voldoende mate uitvoering heeft gegeven aan de op hem ingevolge art. 96, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement rustende verplichting om een zorgvuldig onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden in te stellen. De Raad neemt de gronden over, waarop de eerste rechter tot dat oordeel is gekomen en volstaat met de aanvullende opmerking dat eiseres voor enige vacatures in beschouwing is genomen, doch dat daarbij op aanvaardbare gronden de keuze op andere gegadigden is gevallen.
Beslist moet worden als volgt:
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende in naam der Koningin!
Bevestigt de aangevallen uitspraak.