ECLI:NL:CRVB:1988:ZB3177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en korting AOW-pensioen bij zwervend bestaan op schip in Middellandse Zee
Gedaagde leidde samen met haar echtgenoot en kinderen een zwervend bestaan aan boord van schepen in het Middellandse Zeegebied van 1952 tot 1969, zonder een vaste thuishaven in Nederland of elders. Ondanks formele banden met Nederland, zoals de Nederlandse nationaliteit en schepen onder Nederlandse vlag, oordeelt de Raad dat deze banden onvoldoende zijn om ingezetenschap in Nederland aan te nemen voor de jaren 1957-1969.
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had een korting van 24% toegepast op het AOW-pensioen van gedaagde wegens niet-verzekerde jaren, terwijl het ongekorte pensioen aan haar ex-echtgenoot werd toegekend. De Raad stelt dat de korting terecht is, omdat gedaagde niet als ingezetene kon worden aangemerkt in de betreffende periode en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt vanwege de verschillende omstandigheden.
De Raad benadrukt dat artikel 3 van Pro de AOW materieel naar de woonplaats en thuishaven kijkt en niet louter naar formele banden zoals de vlag van het schip. De eerdere uitspraak die de korting vernietigde wordt vernietigd, en het beroep van de SVB wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De korting van 24% op het AOW-pensioen van gedaagde wegens niet-verzekerde jaren wordt bevestigd.