In deze zaak heeft de Centrale Grondkamer op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een herzieningsverzoek van de pachtprijs van een verpachte hoeve. De verpachtster, vertegenwoordigd door mr. ing. W. de Reus, had verzocht om herziening van de pachtprijs, die door de grondkamer Noord was vastgesteld op € 42.052,74. Pachter, vertegenwoordigd door mr. B. Nijman, ging in beroep tegen deze beslissing, met het verzoek om de pachtprijs op een lager bedrag vast te stellen. De Centrale Grondkamer heeft deskundigen ingeschakeld om de hoogst toelaatbare pachtprijs te berekenen, die uitkwam op € 42.898,87, rekening houdend met een aftrekpost voor groot onderhoud, dat voor de helft voor rekening van de pachter komt. De Centrale Grondkamer oordeelde dat de deskundigen terecht een correctie op de pachtprijs hadden toegepast en dat de pachter er door het hoger beroep niet op achteruit ging. De pachtprijs werd herzien en vastgesteld op € 42.898,87 per jaar, met verschillende ingangsdata voor de verschillende percelen.