Uitspraak
1.[naam verpachter sub 1],
[naam verpachter sub 2],
[naam verpachter sub 3],
gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten.
1. Het verdere geding in hoger beroep
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2021. Pachter, ([namen verpachter sub 1 en 2] namens) verpachters en hun gemachtigden hebben toen de standpunten toegelicht.
[naam deskundige], één van de deskundigen die het hiervoor genoemde rapport heeft gemaakt, heeft toen vragen over dat rapport beantwoord.
2.De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep
[naam verpachter sub 1]heeft aan pachter toegezegd dat hij het gepachte mag blijven pachten zo lang hij wil en voor dezelfde pachtprijs;
- dat hen niets bekend is van de bij a) genoemde voorwaarde en bij b) genoemde toezegging en dat zij daaraan, ook ten opzichte van pachter, niet zijn gebonden;
- dat zij nooit hebben verklaard dat zij de bevoegdheid van artikel 7:333 BW Pro niet zullen gebruiken of dat dit artikel niet meer van toepassing zou zijn;
- dat hen geen verwijt ervan valt te maken dat zij het voorkeursrecht van pachter zouden hebben geschonden;
- (in het bij de grondkamer ingediende verzoek:) dat het niet redelijk is de pachtprijs, gelet op de wijzigingen van het Pachtprijzenbesluit 2007 en de gevolgen ervan voor bestaande pachtovereenkomsten, in de drie pachtovereenkomsten ongewijzigd te laten.
D.H. de Witte en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en B. Th.W. Lamers, in tegenwoordigheid van mr. M. Vriend als griffier.