Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CG:1999:1

Centrale Grondkamer

Datum uitspraak
24 november 1999
Publicatiedatum
26 juni 2024
Zaaknummer
GP 11.343
Instantie
Centrale Grondkamer
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kok
  • Bierman
  • Heisterkamp
  • Baron De Weichs de Wenne
  • Wentink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:170 BWArt. 3:171 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging pachtprijsherziening ondanks geschil over bevoegdheid mede-verpachter

In deze zaak ging het om een geschil tussen mede-verpachters van een boerderij over de bevoegdheid om zelfstandig een verzoek tot pachtprijsherziening in te dienen. De grondkamer Oost had de pachtprijs verhoogd van 4.000 gulden naar 5.507 gulden per jaar met ingang van 1 januari 1999.

Appellant, mede-verpachter en pachter sinds 1986, betwistte de bevoegdheid van geïntimeerde om zonder toestemming van alle erfgenamen het verzoek in te dienen. Hij stelde dat het beheer van de nalatenschap gezamenlijk moet plaatsvinden volgens artikel 3:170 lid 2 BW Pro en dat geïntimeerde niet zelfstandig mocht handelen.

De Centrale Grondkamer oordeelde dat een verzoek tot pachtprijsherziening een handeling ten behoeve van de gemeenschap is en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het belang van de gemeenschap niet gediend zou zijn met het verzoek. De pachtkamer is exclusief bevoegd om over deze rechtsvraag te oordelen, maar de Centrale Grondkamer beantwoordde deze vraag als voorvraag en concludeerde dat de grief van appellant geen doel treft.

De beschikking tot pachtprijsherziening werd bevestigd met verbetering van gronden. De uitspraak werd gedaan door een kamer bestaande uit drie rechters en twee deskundige leden, in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De Centrale Grondkamer bevestigt de pachtprijsherziening en wijst het beroep van appellant af.

Uitspraak

CENTRALE GRONDKAMER
24 november 1999
Dossiernummer: GP 11.343
Beschikking
in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], [adres],
-hierna te noemen: appellant-,
-tegen-

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], [adres],
-hierna te noemen: geïntimeerde-.

Het geding in eerste aanleg

De grondkamer Oost heeft bij beschikking van 5 augustus 1999, waarvan afschrift aan partijen is verzonden op 20 augustus 1999, de pachtprijs in de tussen partijen bestaande pachtover­ eenkomst met betrekking tot een boerderij (m.u.v. het woonge­ deelte daarvan met erf en tuin) met erf, bijbehorende opstal­ len, erf en grond, kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Overijssel], [kadastrale aanduiding]
totaal (in navolging van de wijzigingsakte van 6 mei 1986) groot 5.65.78 ha, herzien en verhoogd van
f4.000,-- tot
f5.507,-- in totaal per jaar, ingaande 1 januari 1999.

Het geding in hoger beroep

Appellant is bij een op 8 september 1999 ter griffie ingekomen beroepschrift in beroep gekomen tegen voormelde beschikking, met verzoek die beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek te dezen van geïntimeerde alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
Geïntimeerde heeft hiertegen verweer gevoerd bij een op 16 september 1999 ter griffie ingekomen verweerschrift.

De grieven

Appellant heeft het navolgende aangevoerd. Hij heeft sedert 1986 de onderhavige boerderij, waarvan hij overeenkomstig de oorspronkelijke pachtakte als oppervlakte heeft vermeld
5.90.78 ha, in pacht op grond van een pachtovereenkomst met wijlen mevrouw [A]. Laatstgenoemde is op 2 mei 1997 overleden. Er zijn in totaal vijf erfgenamen, waaronder hij en geïntimeerde. Aan hen beiden zijn alle onroerende zaken onder last van alle daarmee verbonden schulden, zakelijke lasten en eventuele hypotheken gelegateerd. De nalatenschap is onverdeeld voor zover het voornoemde onroerende zaken betreft. Voor uitvoering van het legaat is overdracht van de onroerende zaken aan beide legatarissen noodzakelijk. Deze overdracht heeft nog niet plaatsgevonden en zal naar zijn mening ook niet
plaatsvinden, omdat hij voordien op grond van zijn voorkeurs­ recht, alle onroerende zaken aan zich kan laten overdragen tegen vergoeding van het aandeel van geïntimeerde. De verpach­ tersrechten komen derhalve toe aan de gezamenlijke erfgenamen. Het beheer van de nalatenschap geschiedt daarom ook door de deelgenoten tezamen, e.e.a. overeenkomstig artikel 3:170 lid 2 BW Pro dat bepaalt dat beheershandelingen door de deelgenoten tezamen moeten worden verricht. De uitzondering van artikel 3:170 lid 1 BW Pro is niet van toepassing, primair niet omdat het verzoek niet valt onder
"handelingen dienendetot
gewoon onderhoud oftot
behoud van een gemeenschappelijk goed"en of
"in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden"en subsidiair niet omdat hij voorafgaand aan de taxatie door medewerkers van de grondkamer heeft aangegeven dat hij geen toestemming had gegeven voor taxatie en niet instemde met het verzoek tot vaststelling van de pachtprijs. Artikel 3:170 lid Pro
1 BW gaat ervan uit dat degene die zelfstandig handelt, de
andere deelgenoten vertegenwoordigt. Daarvan was echter geen sprake nu hij uitdrukkelijk had aangegeven dat hij niet in­ stemde met het verzoek. Ook om die reden geldt de hoofdregel van artikel 3:170 lid 2 BW Pro. Geïntimeerde was derhalve niet bevoegd om zelfstandig een verzoek tot vaststelling van de pachtprijs te doen en had daarvoor de toestemming van de gezamenlijke erfgenamen nodig.
Geïntimeerde heeft in antwoord hierop het door appellant aangevoerde gemotiveerd bestreden.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

1. Uit de stukken, waaronder die in eerste aanleg, blijkt
-onweersproken- dat als gevolg van het overlijden van mevrouw [A] op 2 mei 1997 o.a. appellant en geïntimeerde mede-verpachters zijn geworden van het onderhavige pachtobject. Sedert 1986 was appellant reeds pachter van bedoeld object. Appellant kan zich in zijn hoedanigheid van mede-verpachter niet verenigen met het inleidend verzoek te dezen van geïntimeerde. Hij heeft aangevoerd -samengevat- dat geïntimeerde niet bevoegd is
om dit verzoek zelfstandig te doen en daarvoor toestem­ ming van de gezamenlijke erfgenamen nodig heeft.
2. De beantwoording van een rechtsvraag als de onderhavige is bij uitsluiting voorbehouden aan de pachtrechter, te weten de pachtkamer van het bevoegde kantongerecht en in beroep de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem. De grondkamer, en in beroep de Centrale Grondkamer, dienen evenwel deze vraag bij wijze van voorvraag te beantwoorden indien dit voor de beoordeling van het onderhavige geschil noodzakelijk is. Derhalve overweegt de Centrale Grondkamer dienaangaande het navolgende.
3. Geïntimeerde heeft met haar inleidend verzoek te dezen beoogd om middels een beschikking van de bevoegde grond­ kamer de pachtprijs in de onderhavige pachtovereenkomst te herzien (verhogen). Aangezien de desbetreffende beschikking van de grondkamer voor de toepassing van artikel 3:171 BW Pro gelijk is te stellen met een rechterlijke uitspraak, is in casu sprake van het indienen van een verzoek ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap als bedoeld in laatstgenoemd artikel. Immers, een verzoek tot pachtprijsherziening (pachtprijsverhoging) is - objectief bezien- een handeling ten behoeve van de gemeenschap.
4. Appellant heeft niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat het belang van de gemeenschap (als geheel) niet zou zijn gediend met het inleidend verzoek te dezen. Zijn hoedanigheid als pachter en zijn daarmede samenhangende belang dienen hierbij -uiteraard- buiten beschouwing te blijven.
5. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de Centrale Grondkamer van oordeel is dat de pachtrechter -indien geroepen tot een oordeel te dezen- naar alle waarschijnlijkheid de zienswijze van appellant niet zal delen. Zijn grief treft dan ook geen doel.

Slotsom

De beschikking, waarvan beroep, kan in stand blijven, zulks met verbetering van gronden als hiervoor overwogen.

Beslissing

De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
Bevestigt de beschikking, waarvan beroep, zulks met verbetering van gronden als hiervoor overwogen.
Deze beschikking is gegeven op 24 november 1999 door mrs. Kok, Bierman en Heisterkamp en de deskundige leden Baron De Weichs de Wenne en Wentink, in tegenwoordigheid van mr Bongers als griffier.