ECLI:NL:CBB:2026:86

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
23/1899
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • T. Pavićević
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520Art. 5b.44 Regeling houders van dierenArt. 5b.49 Regeling houders van dierenArt. 5:39 Algemene wet bestuursrechtArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen last onder dwangsom en invordering wegens niet tijdige registratie geboorte runderen

De minister van Landbouw legde aan [naam] een last onder dwangsom op wegens overtredingen van de registratieplicht van rundergeboorten. Na controles in november 2022 en mei 2023 bleek dat de geboortedata van meerdere runderen niet tijdig en juist waren geregistreerd in het I&R-systeem. De minister vorderde een dwangsom van €1.250,-, waarvan later werd vastgesteld dat dit bedrag onjuist was vastgesteld.

Het College oordeelde dat de overtreding terecht was vastgesteld voor drie runderen, waarbij de registratie niet klopte en DNA-onderzoek ontbrak. De minister mocht de dwangsom invorderen, maar moest het bedrag corrigeren naar €750,-. Het beroep tegen het dwangsombesluit werd ongegrond verklaard, het beroep tegen het invorderingsbesluit gegrond.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling. De minister moet ook het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak bevestigt het belang van correcte en tijdige registratie van dieren en de rechtmatigheid van dwangsommen bij overtredingen.

Uitkomst: Het beroep tegen het dwangsombesluit wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen het invorderingsbesluit gegrond, met vaststelling van de dwangsom op €750,- en toekenning van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1899

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. R.J. de Nekker)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. A.F.D. Weken)
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Procesverloop

Met het besluit van 17 februari 2023 (dwangsombesluit) heeft de minister [naam] een uit zes maatregelen bestaande last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van verschillende bepalingen uit de wet- en regelgeving ten aanzien van de identificatie en registratie van dieren.
Met het besluit van 29 september 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard.
Met het besluit van 24 januari 2024 (invorderingsbesluit) heeft de minister een bedrag van € 1.250,- aan dwangsommen bij [naam] ingevorderd. [naam] heeft bezwaar gemaakt tegen het invorderingsbesluit.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van [naam] heeft op grond van artikel 5:39 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het invorderingsbesluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft het College de Staat in de procedure betrokken.
De zitting was op 15 januari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Inleiding

1.1
Op 1 november en 23 november 2022 hebben toezichthouders, waaronder een toezichthoudend dierenarts, van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), een controle verricht op de bedrijfslocatie van [naam] , aan de [straat] te [woonplaats] .
1.2
Tijdens deze controle hebben de toezichthouders geconstateerd dat [naam] overtredingen beging van de wet- en regelgeving ten aanzien van de identificatie en registratie van dieren. De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in het rapport van bevindingen van 23 december 2022 (rapport van bevindingen 1). Naar aanleiding daarvan heeft de minister op 17 februari 2023 aan [naam] een last onder dwangsom opgelegd die, kortgezegd, inhoudt dat [naam] zes overtredingen moet beëindigen. Als hij dat niet binnen een termijn van zeven dagen (overtreding 1 t/m 5) of zes weken (overtreding 6) doet, moet hij een dwangsom betalen. De geldigheidsduur van de last onder dwangsom is één jaar.
1.3
Op 15 mei 2023 hebben toezichthouders, waaronder een toezichthoudend dierenarts, een hercontrole verricht op de bedrijfslocatie van [naam] . De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 9 juni 2023 (rapport van bevindingen 2). Naar aanleiding daarvan heeft de minister met het invorderingsbesluit een verbeurde dwangsom bij [naam] ingevorderd van € 1.250,- vanwege het niet beëindigen van twee van de zes overtredingen uit het dwangsombesluit. Voor overtreding 4 is een dwangsom ingevorderd van € 250,- en voor overtreding 6 is een dwangsom ingevorderd van € 1.000,-.
1.4
In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij voor het rund met werknummer [nummer 1] ten onrechte twee keer een dwangsom van € 250,- heeft ingevorderd. Dat betekent dat de minister voor overtreding 4 geen dwangsom had mogen invorderen en dat hij voor overtreding 6 niet € 1.000,-, maar € 750,- had moeten invorderen.

Beoordeling van het beroep

De omvang van de beoordeling door het College
2.1
Het College stelt allereerst vast waarover hij in deze uitspraak moet oordelen. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de geldigheidsduur van de last onder dwangsom van één jaar inmiddels is verstreken. Het dwangsombesluit is daarmee uitgewerkt en kan niet meer ten grondslag worden gelegd aan (verdere) verbeurte van dwangsommen. In de tweede plaats is van belang dat de minister bij nader inzien van mening is dat hij alleen voor overtreding 6 een dwangsom had mogen invorderen. Bovendien moet het in te vorderen bedrag voor die overtreding niet € 1.000,- zijn, maar € 750,-, omdat voor het rund met werknummer [nummer 1] ten onrechte een bedrag van € 250,- is ingevorderd. [naam] heeft vervolgens tijdens de zitting aangegeven dat hij zijn beroepsgronden met betrekking tot overtreding 1 tot en met 5 en met betrekking tot de ingevorderde dwangsom voor het rund met werknummer [nummer 1] niet langer handhaaft.
2.2
Het College zal daarom alleen de beroepsgronden bespreken voor zover die betrekking hebben op overtreding 6 en op de ingevorderde dwangsom voor de runderen met de werknummers [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] .
Dwangsombesluit
3.1
In het dwangsombesluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat [naam] heeft gehandeld in strijd met artikel 3, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520, in samenhang met artikel 5b.44, eerste en tweede lid, en artikel 5b.49, eerste, tweede en derde lid, van de Regeling houders van dieren omdat de geboorte van runderen niet (tijdig/juist) is geregistreerd. De minister heeft [naam] een maatregel opgelegd om deze overtreding (aangeduid als overtreding 6) op te heffen. In het dwangsombesluit is de opgelegde maatregel als volgt omschreven:
“Ik leg u de last op om de overtreding te beëindigen. U kunt de last uitvoeren
door voor de runderen met werknummers [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en het rund dat
ten tijde van de controles voorzien was van oormerken met werknummer [nummer 1] ,
de geboortedatum en overige verplichte geboorte-informatie te registreren in
het I&R-systeem. Aangezien deze runderen ouder zijn dan 80 werkdagen, dient
de geboortemelding vergezeld te gaan van een schriftelijk verslag van DNA-onderzoek
(zie paragraaf 'DNA-onderzoek' verderop op deze pagina).”
3.2
Uit het dwangsombesluit volgt verder dat [naam] deze overtreding binnen zes weken moet beëindigen en dat de minister hem de last oplegt om de overtreding niet opnieuw te begaan. Als [naam] de last tot beëindiging niet (tijdig) uitvoert of de overtreding opnieuw begaat, verbeurt hij van rechtswege een dwangsom van € 250,- per rund per controle, tot een maximum bedrag van € 5.000,-.
3.3
Het College is van oordeel dat de minister op grond van de bevindingen van de toezichthouders, zoals neergelegd in het rapport van bevindingen 1, terecht heeft vastgesteld dat [naam] overtreding 6 heeft begaan. Door de toezichthouders is geconstateerd dat de
geboorte-informatie met betrekking tot de runderen met werknummer [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] niet tijdig en juist in het I&R-systeem was geregistreerd. De minister mag in beginsel uitgaan van die bevindingen. Het rund met werknummer [nummer 2] stond in het I&R-systeem geregistreerd met de geboortedatum 10 november 2022, terwijl de toezichthouders hebben vastgesteld dat dit rund tijdens de controle op 1 november 2022 al vijf tot zes maanden oud was. Het rund met werknummer [nummer 4] stond geregistreerd met geboortedatum 11 november 2022, terwijl de toezichthouders hebben vastgesteld dat dit rund tijdens de controle op 1 november 2022 al zeker één jaar of ouder was. De geboorte van deze runderen was dus niet tijdig en niet juist geregistreerd.
3.4
Uit het rapport van bevindingen 1 blijkt verder dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat het rund met werknummer [nummer 3] stond geregistreerd met geboortedatum 11 november 2021 en met als moederdier het rund met werknummer [nummer 1] . Omdat het rund met werknummer [nummer 1] in 2016 dood is afgevoerd door de Rendac, is het moederdier volgens de toezichthouders onjuist geregistreerd. Volgens [naam] was het rund met werknummer [nummer 1] niet dood en is het ten onrechte op de ophaallijst van de Rendac terecht gekomen. Het College is van oordeel dat de minister terecht een overtreding heeft vastgesteld met betrekking tot het rund met werknummer [nummer 3] . Als moederdier stond het rund met werknummer [nummer 1] geregistreerd. Dit rund is volgens het ophaaloverzicht van de Rendac in 2016 echter dood afgevoerd en kan daarom geen kalf hebben gekregen op 11 november 2021. Daar komt bij dat het rund met werknummer [nummer 1] geregistreerd stond met haarkleur egaalbruin. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat het blauwbonte rund dat tijdens de controle op 1 november 2022 geen oormerk droeg en op 23 november 2022 een oormerk met nummer [nummer 1] , niet het geregistreerde moederdier was.
3.5
Gelet op het voorgaande heeft de minister ten aanzien van overtreding 6 terecht een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de runderen met werknummers [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] . Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de dwangsom te hoog is, of dat moet worden volstaan met een waarschuwing. Het beroep slaagt niet.
Invorderingsbesluit
4.1
Tijdens de hercontrole op 15 mei 2023 hebben de toezichthouders geconstateerd dat [naam] voor het rund met werknummer [nummer 2] DNA-onderzoek heeft laten uitvoeren, maar dat hij de registratie van dit rund niet heeft aangepast in het I&R-systeem. Dat betekent dat voor dit rund nog steeds een onjuiste geboortedatum geregistreerd stond. Voor de runderen met de werknummers [nummer 3] en [nummer 4] heeft [naam] geen DNA-onderzoek laten uitvoeren, terwijl dat wel was vereist. Evenmin heeft [naam] de registraties van die runderen aangepast in het I&R-systeem. Op het momoment van de hercontrole op 15 mei 2023 was dus niet voldaan aan de opgelegde last.
4.2
[naam] heeft deze bevindingen niet betwist. Hij heeft slechts gesteld dat verwarring is ontstaan over de runderen door het rund met werknummer [nummer 1] . Dat het rund met dit werknummer bij [naam] verwarring heeft veroorzaakt, maakt naar het oordeel van het College niet dat [naam] niet aan de last kon voldoen door DNA-onderzoek te laten uitvoeren en juiste geboortedata te laten registreren. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat overtreding 6 tijdens de hercontrole op 15 mei 2023 ten aanzien van de runderen met de werknummers [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] niet was opgeheven. [naam] is daarom een dwangsom verschuldigd van € 750,-. De minister heeft dit bedrag met het invorderingsbesluit daarom terecht ingevorderd. De familieomstandigheden die [naam] naar voren heeft gebracht zijn, hoe ingrijpend ook, geen reden waarom de minister geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van invordering.
4.3
[naam] heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat in het rapport van bevindingen van 13 december 2023 is geconcludeerd dat overtreding 6 is beëindigd. Volgens hem betekent dit dat hij geen dwangsommen verschuldigd is. Het rapport van bevindingen waar [naam] naar verwijst is echter opgemaakt na controles op 16 oktober 2023 en 1 december 2023. Dat de overtreding toen was beëindigd, maakt niet dat de minister geen dwangsom kon invorderen. De dwangsom is namelijk ingevorderd op basis van de bevindingen tijdens een eerdere hercontrole op 15 mei 2023.
4.4
Het College zal, zoals de minister heeft verzocht, het beroep gegrond verklaren, het invorderingsbesluit herroepen en de in te vorderen dwangsom vaststellen op € 750,-.
Slotsom
5.1
Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren, het beroep tegen het invorderingsbesluit gegrond verklaren, het invorderingsbesluit herroepen en de in te vorderen dwangsom vaststellen op € 750,-. Daarnaast zal het College de minister veroordelen in de door [naam] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
Overschrijding redelijke termijn
6.1
Op grond van artikel 6 van Pro het EVRM geldt een redelijke termijn voor definitieve afdoening van geschillen in bestuursrechtelijke procedures. Als vast uitgangspunt voor de redelijke termijn wordt genomen dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer dan twee jaar mogen duren. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
6.2
De minister heeft het bezwaarschrift ontvangen op 24 maart 2023. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn van ten hoogste twee jaar (de termijn voor de procedure in eerste en enige aanleg) met nagenoeg één jaar overschreden. Op vijf dagen na is deze overschrijding toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Het College zal daarom, uitgaande van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, de Staat veroordelen tot betaling aan [naam] van een bedrag aan schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
6.3
Daarnaast moet de Staat de proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vergoeden. Deze begroot het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 467 ,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • verklaart het beroep tegen het invorderingsbesluit gegrond;
  • herroept het invorderingsbesluit en stelt de in te vorderen dwangsom vast op € 750,-;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [naam] te vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [naam] ;
  • veroordeelt de Staat tot betaling aan [naam] van € 1.000,- voor immateriële schade;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan [naam] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
w.g. T. Pavićević w.g. A.M. Slierendrecht

Bijlage

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520
Artikel 3, eerste lid
1. Termijnen en procedures voor het doorgeven van informatie door exploitanten voor de registratie van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens 1. Exploitanten die runderen, schapen, geiten of varkens houden, geven de in artikel 112, onder d), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde informatie over verplaatsingen, geboorten en sterfgevallen, en de in artikel 113, lid 1, onder c), van die verordening en artikel 56, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde informatie over verplaatsingen ter registratie door aan de voor die soorten opgezette geautomatiseerde gegevensbestanden, door binnen een door de lidstaten vast te stellen doorgiftetermijn. De maximale termijn voor het doorgeven van de informatie bedraagt niet meer dan zeven dagen na de verplaatsing, geboorte of dood van de dieren, naargelang van het geval.
Regeling houders van dieren
Artikel 5b.44, eerste en tweede lid
1. In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, geven exploitanten die runderen houden bij de geboorte van een rund de volgende gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand:
a. het geslacht van het rund;
b. de haarkleur van het rund;
c. de identificatiecode van de moeder;
d. het relatienummer van de exploitant;
e. de gegevens, bedoeld in artikel 42, onderdelen a, b en c, van verordening (EU) nr. 2019/2035.
2. Wanneer de gegevens over de geboorte van een rund meer dan 80 werkdagen na de dag van geboorte worden doorgegeven, gaan de gegevens vergezeld van een schriftelijk verslag van het DNA-onderzoek op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de identificatiecode van de moeder van dat rund overeenstemt met de identificatiecode, bedoeld in het eerste lid, onder c.
Artikel 5b.49, eerste, tweede en derde lid
1. De termijn, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2021/520, bedraagt voor een exploitant die runderen houdt, drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende gebeurtenis, heeft plaatsgevonden.
2. Een exploitant die runderen houdt, geeft de in de artikelen 5b.44, 5b.45, 5b.46, en 5b.47 bedoelde gegevens door aan het geautomatiseerde gegevensbestand binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
3. De geboorte van een rund wordt doorgegeven nadat het rund is geïdentificeerd, binnen de termijn, bedoeld in artikel 5b.19 of ingeval artikel 5b.19, tweede lid, van toepassing is, na het aanbrengen van het eerste identificatiemiddel binnen de in artikel 5b.19, eerste lid, genoemde termijn.