ECLI:NL:CBB:2026:64

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
24/619
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Besluit SDEK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag duurzame energie wegens incomplete aanvraag en gebruik installatie

De maatschap diende op 8 september 2023 een subsidieaanvraag in voor een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie op grond van het Besluit SDEK. De minister wees deze aanvraag op 29 februari 2024 af wegens het ontbreken van een geldige transportindicatie, een vereiste voor de aanvraag. De maatschap ging in bezwaar, maar dit werd op 23 mei 2024 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de maatschap beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Tijdens de procedure bleek dat de minister onder bepaalde voorwaarden ook alternatieve documenten accepteert in plaats van een transportindicatie, mits deze geldig zijn binnen het subsidieaanvraagtijdvak. De maatschap kon echter alleen documenten overleggen die dateren na het einde van dit tijdvak, waardoor deze niet in aanmerking konden worden genomen. Daarnaast stelde de minister dat de installatie al in gebruik was genomen vóór de aanvraag, wat eveneens een reden was voor afwijzing.

De maatschap voerde aan dat bijzondere omstandigheden, waaronder een eerdere subsidieverlening aan Univé Diensten B.V. voor dezelfde installatie en een verzoek tot wijziging van subsidieontvanger, tot toewijzing van de subsidie zouden moeten leiden. Het College oordeelde echter dat deze omstandigheden niet voor rekening van de minister komen en dat de eerdere subsidieverlening geen grond vormt om af te wijken van de subsidievoorwaarden. De minister had de subsidie aan Univé terecht ingetrokken vanwege het niet tijdig afronden van het project.

Het College concludeerde dat de aanvraag van de maatschap niet voldeed aan de voorwaarden en dat er geen gebreken kleefden aan de besluitvorming van de minister. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de maatschap tegen de afwijzing van haar subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/619

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

Maatschap [naam 1] , te [woonplaats] , (maatschap)

(gemachtigde: E. Blansjaar)
en

de minister van Klimaat en Groene Groei

(gemachtigde: mr. M. Zweers)

Procesverloop

Met het besluit van 29 februari 2024 (het afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de maatschap op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (Besluit SDEK) en de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (Uitvoeringsregeling) afgewezen.
Met het besluit van 23 mei 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap ongegrond verklaard.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 oktober 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de maatschap [naam 2] , [naam 3] en hun gemachtigde, en de gemachtigde van de minister.
Met de heropeningsbeslissing van 14 november 2025 heeft het College het onderzoek heropend om de minister en de maatschap in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie te verstrekken. Dit heeft de minister gedaan met de brief van 5 december 2025 (ontvangen per e-mail van 28 januari 2026) en de maatschap met de brief van 23 januari 2026.
De nadere zitting was op 10 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de maatschap [naam 2] , [naam 3] en hun gemachtigde, en de gemachtigde van de minister.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2 Deze zaak gaat over de subsidieaanvraag voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie op grond van het Besluit SDEK. De maatschap heeft deze aanvraag gedaan op 8 september 2023. De minister heeft de aanvraag op 29 februari 2024 afgewezen op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van het Besluit SDEK omdat niet was voldaan aan de voorwaarden (incomplete aanvraag). Met het bestreden besluit van 23 mei 2024 heeft de minister de afwijzing gehandhaafd. De aanvraag van de maatschap was incompleet omdat er geen geldige transportindicatie kon worden overgelegd. In beroep heeft de minister aangevoerd dat de aanvraag ook had moeten worden afgewezen omdat de productie-installatie al voor het moment van aanvraag in gebruik was genomen.
3 Wat de transportindicatie betreft, oordeelt het College als volgt. Tijdens de behandeling in beroep is gebleken dat de minister onder omstandigheden ook andere documenten in plaats van een transportindicatie accepteert (begunstigend beleid). Een voorwaarde hiervoor is dat deze alternatieve documenten geldig zijn gedurende het subsidie-aanvraagtijdvak. In het geval van de maatschap biedt dit beleid echter geen uitkomst omdat de alternatieve stukken die de maatschap kan overleggen, dateren van na het einde van het subsidieaanvraag-tijdvak. Dit tijdvak eindigde op 5 oktober 2023. Dat de documenten nog geldig moeten zijn binnen de aanvraagperiode of moeten dateren van vlak voor de indiening van de subsidieaanvraag, is noodzakelijk omdat subsidieaanvragers met elkaar concurreren en de minister binnen elke aanvraagronde een gelijk speelveld moet waarborgen. Iedereen moet dus tijdig aan dezelfde aanvraagvoorwaarden voldoen. Het College oordeelt dan ook dat er geen alternatieve documenten zijn die de minister op grond van het begunstigend beleid van de minister bij de beoordeling van de aanvraag had moeten betrekken.
4 De volgende vraag is of de minister de aanvraag van de maatschap, ondanks het ontbreken van de transportindicatie en ondanks het feit dat de installatie al in gebruik was genomen, vanwege bijzondere omstandigheden had moeten honoreren. De bijzondere omstandigheden bestaan er volgens de maatschap uit dat de minister in maart 2021 al SDEK-subsidie had verleend voor de productie-installatie van de maatschap. Dit is de productie-installatie waar de subsidieaanvraag die in dit beroep centraal staat, ook betrekking op heeft. Die subsidie was toen niet aangevraagd door de maatschap zelf, maar door Univé Diensten B.V. (Univé). Van die aanvraag maakte wel een geldige transportindicatie deel uit en ook het argument van het al in gebruik hebben genomen van de productie-installatie speelde toen niet. In de zomer van 2022 zou Univé met de maatschap overeengekomen zijn dat de maatschap het project zelf zou voortzetten en Univé zich zou terugtrekken. Volgens de maatschap is daartoe op 21 september 2022 een verzoek tot wijziging subsidieontvanger ingediend. Op dit verzoek is geen antwoord gekomen van de minister. De maatschap heeft in de zomer van 2022 wel de nodige stappen gezet, zoals het sluiten van contracten, om het project zoals gesubsidieerd uit te kunnen voeren. De maatschap zou echter pas in de zomer 2023 te horen hebben gekregen dat de betreffende subsidie op verzoek van Univé (al) in september 2022 was ingetrokken. Als gevolg van deze informatie heeft de maatschap een nieuwe subsidieaanvraag ingediend. Het is deze aanvraag die voorligt in beroep. Het is voor het College duidelijk dat de maatschap in het licht van deze omstandigheden nu (achteraf) niet meer kan voldoen aan de voorwaarden voor de subsidieaanvraag. Het beroep van de maatschap op bijzondere omstandigheden beschouwt het College dan ook als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College heeft daarom onderzocht wat de status is van de eerdere subsidieverlening en in hoeverre in dat proces zaken zijn misgelopen die voor rekening van de minister zouden moeten komen of voor risico van de maatschap zijn.
5 Uit het dossier blijkt inderdaad dat op 24 maart 2021 subsidie is verleend aan Univé Diensten B.V. voor de productie-installatie van de maatschap. De bewuste wijziging subsidieontvanger van 21 september 2022 zit echter niet in het dossier. Hij is ook niet in het bezit van de maatschap en maakt ook geen onderdeel uit van het dossier van de minister. Ook een antwoord van de minister op dit verzoek ontbreekt. Dat dit verzoek indertijd is ingediend, is daarom niet komen vast te staan. Ook is tijdens de zitting door de gemachtigde van de minister uiteengezet dat de productie-installatie van de maatschap op grond van de subsidieverlening van 21 maart 2021 uiterlijk in september 2022 in gebruik had moeten zijn genomen. Maar ook een verzoek om uitstel daarvoor is niet gedaan en zit niet in het dossier. Wel blijkt uit het dossier dat de minister op 22 september 2022 de subsidie aan Univé heeft ingetrokken. Dit is gebeurd op verzoek van Univé als subsidieontvanger omdat het project niet tijdig zou kunnen worden afgerond. Dit verzoek tot intrekking is van 13 september 2022 en is door de minister overgelegd. De intrekkingsbeschikking is gericht aan Univé. Hiermee staat vast dat de minister het intrekkingsbesluit van 22 september 2022 op goede gronden heeft genomen. Tot slot blijkt uit het dossier dat op 17 juli 2023 een wijziging subsidieontvanger ten gunste van de maatschap door Univé en de maatschap is ingediend. Op dit verzoek heeft de minister gereageerd met het bericht dat dit verzoek niet kon worden verwerkt, omdat er in 2022 een intrekkingsbesluit is genomen. Het College stelt vast dat de minister hiermee een reactie heeft gegeven die in lijn is met hetgeen de minister eerder heeft besloten.
6 Op basis van het voorgaande oordeelt het College dan ook dat niet gebleken is dat er gebreken kleven aan de besluitvorming of de handelwijze van de minister. Wel lijkt sprake te zijn van miscommunicatie tussen Univé en de maatschap, maar deze miscommunicatie komt naar het oordeel van het College niet voor rekening van de minister. Dit betekent dat de eerdere subsidieverlening geen bijzondere omstandigheid is in het licht van het evenredigheidsbeginsel die maakt dat de minister de subsidieaanvraag die in dit beroep voorligt, had moeten toewijzen. Het beroep van de maatschap is ongegrond.
7 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr B. van den Bergh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
w.g. C. de Kruif w.g. B. van den Bergh