ECLI:NL:CBB:2026:330

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/477
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 Besluit personenvervoer 2000Art. 10 Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking chauffeurskaart wegens niet overleggen nieuwe Verklaring omtrent Gedrag

De chauffeur was houder van een chauffeurskaart en werd door de minister verzocht binnen vier weken een nieuwe Verklaring omtrent Gedrag (VOG) te overleggen vanwege een melding van het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent Gedrag (COVOG) dat de chauffeur recentelijk met justitie in aanraking was gekomen. De minister trok de chauffeurskaart in omdat de chauffeur geen nieuwe VOG overlegde.

De chauffeur stelde bezwaar tegen dit besluit, maar de minister verklaarde het bezwaar ongegrond. De chauffeur ging in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de aanvraag van de chauffeur voor een nieuwe VOG was afgewezen vanwege een snelheidsovertreding tijdens de proeftijd van een eerdere overtreding.

Het College oordeelde dat de minister terecht de chauffeurskaart introk omdat de chauffeur niet voldeed aan de wettelijke eisen. De minister hoefde geen nadere toelichting te vragen of een hoorzitting te houden, omdat de chauffeur voldoende gelegenheid had gehad om alsnog een VOG te overleggen, maar dit niet deed. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de chauffeur is ongegrond verklaard en de intrekking van de chauffeurskaart bevestigd.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/477

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , te Utrecht (chauffeur)

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat

(gemachtigden: mr. K.C. van Moorsel en mr. G.H.H. Bisschof)

Procesverloop in beroep

De chauffeur heeft tegen het besluit van 12 juni 2025 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 22 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de chauffeur en de gemachtigden van de minister.

Inleiding

1 De chauffeur was in het bezit van een chauffeurskaart. Op 10 januari 2025 heeft de minister hem verzocht om binnen vier weken een nieuwe Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) op te sturen. De aanleiding voor dat verzoek was de melding van COVOG (Centraal Orgaan Verklaring Omtrent Gedrag) dat de chauffeur recentelijk met justitie in aanraking is geweest. Daardoor zijn er twijfels gerezen over de betrouwbaarheid van de chauffeur als houder van een chauffeurskaart. Met het besluit van 7 maart 2025 heeft de minister de chauffeurskaart ingetrokken omdat de chauffeur geen VOG heeft overgelegd. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de chauffeur kennelijk ongegrond verklaard. De chauffeur is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

Beoordeling van het beroep

2.1
Het beroep is ongegrond. De minister heeft de chauffeurskaart terecht ingetrokken. Hierna licht het College dit oordeel toe.
2.2
De minister heeft aan de melding van COVOG het vermoeden mogen ontlenen dat de chauffeur niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG. Hij heeft de chauffeur dan ook mogen verzoeken om binnen vier weken een nieuwe VOG over te leggen. Dat volgt uit artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000. Het staat vast dat de chauffeur geen nieuwe VOG heeft overgelegd. Zijn aanvraag voor een VOG is met het besluit van 4 maart 2025 afgewezen omdat de chauffeur met justitie in aanraking is gekomen wegens een snelheidsovertreding met zijn taxi, die plaatsvond terwijl hij in de proeftijd zat voor een eerdere snelheidsovertreding. Omdat de chauffeur geen VOG heeft overgelegd, moest de minister de chauffeurskaart intrekken. Dat volgt uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten. Anders dan de chauffeur meent, had de minister niet kunnen volstaan met een schorsing van de chauffeurskaart. Een schorsing kan aan de orde zijn in afwachting van een onderzoek en eventuele intrekking. In dit geval stond al vast dat geen nieuwe VOG was overgelegd en dat de chauffeurskaart dus moest worden ingetrokken.
2.3
Het College volgt de chauffeur niet in zijn standpunt dat de minister hem in de bezwaarfase om een nadere toelichting had moeten vragen of een hoorzitting had moeten houden. De chauffeur heeft veel tijd gehad om nadere informatie aan te leveren, of alsnog een VOG over te leggen, maar heeft dat niet gedaan. Op 26 maart 2025 en op 16 april 2025 heeft de minister in een brief aan de chauffeur gevraagd om contact op te nemen. Op 17 april 2025 heeft de chauffeur telefonisch aan de minister laten weten dat zijn zienswijze met betrekking tot de VOG nog in behandeling was. De aanvraag voor een VOG was op dat moment echter al afgewezen. Na 7 mei 2025 zou de chauffeur weer contact opnemen met de minister. Ondanks de schriftelijke herinnering die de minister heeft gestuurd op 14 mei 2025, heeft de chauffeur dat niet gedaan. Gelet op de bezwaargronden en het feit dat de chauffeur geen contact meer opnam met de minister, was er geen twijfel mogelijk dat de bezwaren niet konden leiden tot een ander besluit. De minister heeft het bezwaar daarom kennelijk ongegrond mogen verklaren.
Slotsom
3 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. A.M. Slierendrecht

Bijlage

Besluit personenvervoer 2000
Artikel 82, zesde lid
Indien Onze Minister vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een geneeskundige verklaring of een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, respectievelijk c, kan Onze Minister verlangen dat die bestuurder zich binnen een door hem vast te stellen termijn aan een nieuw geneeskundig onderzoek onderwerpt, respectievelijk opnieuw verzoekt om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. De bestuurder overlegt binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn de nieuwe geneeskundige verklaring of de nieuwe verklaring omtrent het gedrag.
Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten
Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d
De chauffeurskaart en de chauffeurskaart onder beperkingen worden ingetrokken:
indien de bestuurder niet of niet tijdig ingevolge artikel 82, zesde lid, van het Besluit een nieuwe geneeskundige verklaring of een nieuwe verklaring omtrent het gedrag overlegt als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk c van het Besluit;