Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 op het hoger beroep van
Compaxo Vlees Zevenaar B.V., te Zevenaar (slachthuis)
(gemachtigde: F.Th.M. Peters)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop in hoger beroep
Inleiding
Uitspraak van de rechtbank
Wettelijk kader
Beoordeling van het hoger beroep
Het slachthuis voert aan dat de boete had moeten worden gematigd vanwege de bijzondere omstandigheid dat het slachthuis aan het verbouwen was waardoor een aantal processen noodgedwongen anders verliep dan normaal. Om de voedselveiligheid dan anderszins te borgen, heeft het slachthuis beheersmaatregelen 6 en 7 bij de NVWA ingediend, die zijn geaccordeerd. Daarin zijn waarborgen getroffen die eventuele nadelige gevolgen van de verbouwing ondervangen. Daarnaast is sprake van een bijzondere omstandigheid voor boetematiging, omdat alle karkassen bij het slachthuis verder worden bewerkt. Deze karkassen worden namelijk van de huid ontdaan en uitgesneden delen worden nog een aantal keren op verontreiniging gecontroleerd. Dit betekent dat deze eventuele vuile delen, als die delen al gevaar met zich zouden brengen, worden verwijderd voordat deze verder de voedselketen ingaan. Daarbij komt dat onthuiding plaatsvindt aan het begin van het proces en aldus verdere potentiële vervuiling wordt voorkomen. De gevolgen voor de volksgezondheid waren dus gering. Het slachthuis voert tot slot aan dat de boete niet op basis van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving mocht worden verhoogd vanwege recidive. Gelet op de beheersmaatregelen die het slachthuis met de NVWA had afgesproken om de voorzienbare gevolgen van het verbouwingstraject te minimaliseren, gaat het hier niet om hetzelfde feit als de eerdere overtreding waarop de recidiveverhoging is gebaseerd.