Bij het rapport van bevindingen is de veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts gevoegd. In deze veterinaire verklaring is vermeld dat de dierenarts op 2 maart 2026 om ongeveer 10.45 uur onder meer schapen van verzoeker heeft beoordeeld. Volgens de verklaring zag hij rechtsachter in stal 2 vijf schapen staan die waren achtergebleven in hun ontwikkeling. De schapen hadden een relatief grote kop en bleken ouder dan ze op basis van hun relatief kleine lijven leken. De achterhanden van deze vijf rammen waren besmeurd met verse en ingedroogde mest. De dierenarts voelde dat vier rammen een BCS van 1.0 hadden en één ram had een BCS van 1.25. Deze rammen hadden niet de beschikking over voer. Toen de veehouder ze had voorzien van ruwvoer gingen deze schapen gulzig eten. Omstreeks 15.00 uur zag de dierenarts dat dit ruwvoer al op was. Hij heeft geconcludeerd dat deze schapen erg hongerig waren. In weide 1 zag hij dertien schapen lopen. Hij zag één schaap linksachter stokkreupel (op drie poten) lopen. Hij zag een tweede schaap rechtsachter kreupel lopen. Hij concludeerde dat deze schapen onmiddellijk verzorging nodig hadden. Hij zag in weide 2 bij elkaar 67 schapen lopen. Hij zag op enige afstand dat een ram linksvoor stokkreupel liep. Hij zag een tweede schaap rechtsvoor stokkreupel lopen. Hij zag in deze koppel meerdere dieren min of meer kreupel lopen. Hij concludeerde dat deze schapen onmiddellijk verzorging nodig hadden. Hij zag in het achterste perceel, ter hoogte van het huis van de buren gedurende de gehele inspectie een schaap blijven liggen. Hij zag dat het schaap moeizaam overeind kwam en wankel wegliep. Hij zag dat de flanken zeer ernstig ingevallen waren. Hij kon zelfs door de wol heen zien dat dit schaap erg mager was. Hij concludeerde dat dit schaap ziek was en dat dit schaap onmiddellijk verzorging nodig had.
Uit de veterinaire verklaring blijkt verder dat de schapen in het begin van de middag bijeen waren gedreven in een geïmproviseerd hok buiten voor de kop van stal 2. Hij wilde daar de kreupele dieren uitselecteren en een indruk krijgen van de BCS. Hij constateerde al vrij snel dat het uitselecteren van de kreupele schapen in dit vanghok niet mogelijk was en dat de koppel erg mager was en dat er ernstig vermagerde dieren tussen liepen. Hij wilde de schapen aan een nadere inspectie onderwerpen. Gedurende dit proces was verzoeker voortdurend aanwezig en bleef hij de dierenarts beschimpen en voor alles en nog wat uitmaken. Hij moest met zijn poten van de schapen af blijven en was totaal niet ter zake deskundig. Op enig moment betrad verzoeker het hok en begon hij onder protest en opmerkingen makende, een schaap te bekappen. Verzoeker was niet alleen meer agressief, intimiderend en beledigend, hij ging het werk van de dierenarts nu ook daadwerkelijk belemmeren. Naar aanleiding van deze situatie zag de dierenarts de aanwezige politie een interventie plegen en verzoeker naar de grond werken en gebieden de vangkooi te verlaten. Op dat moment kwam de dierenarts tot de conclusie dat hij in alle rust voor hemzelf en zijn collega’s en ook voor de schapen genoodzaakt was om alle schapen mee te voeren en bij de opslaghouder verder te beoordelen. Daar was hij er ook zeker van dat deze koppel de optimale verzorging zou krijgen.
De volgende dag op 3 maart heeft hij de schapen bij de opslaghouder beoordeeld. Daarbij heeft hij vermeld dat hij uit ervaring als dierenarts en met de kennis van mijn opleiding tot dierenarts weet dat schapen die drachtig zijn hard gevoerd moeten worden en in de winter bijgevoerd dienen te worden. Het is bij Texelaars gewenst om ze naar het einde van de dracht in een zeer goede conditie te krijgen. Een BCS van 3.5 of hoger is bij de betere schapenfokkers vlak voor het einde van de dracht de norm. Volgens de veterinaire verklaring hadden van de 85 schapen: 35 schapen een BCS van <2.0 (heel erg mager tot erg mager), 23 schapen een BCS van 2.0 (mager) 26 schapen een BCS >2.0 tot 2.5 (nog niet de gewenste conditiescore), één schaap was dood gegaan in de voorgaande nacht, dus het zieke schaap wat zij in de weide hadden zien liggen. De dierenarts heeft geconcludeerd dat 58 schapen van broodmager of heel erg mager tot mager waren, BCS 1.0 tot en met 2.0. Zeker drachtige schapen moeten een hogere BCS hebben in dit stadium van de dracht. Hij telde verder zeventien schapen met een of meerdere slechte klauwen die bekapt dienden te worden en zes kreupele schapen, die ook behandeling vereisten. Hij telde één schaap zonder tanden, met een BCS van 1.5. Hij telde voorts twee zieke schapen die onmiddellijk met een pijnstiller, ontstekingsremmer en koortsverlager en een antibioticum werden behandeld door de dierenarts bij de opslaghouder. Hij telde vijf rammen die diarree hadden en door de dierenarts van de opslaghouderverdacht werden van een wormbesmetting en direct door hem werden behandeld tegen een maag- darmwormbesmetting. Alles beschouwend kwam hij tot 64 schapen met een te lage BCS van 2.0 of lager en/of een andere aandoening. Er waren zestien schapen met een BCS van 2.25 en vier schapen met een BCS van 2.5. De dierenarts beoordeelt dat nog steeds als een zeer lage BCS, zeker voor drachtige schapen.
In de veterinaire verklaring is verder vermeld dat de dierenarts het noodzakelijk achtte om de dieren mee te voeren en op te slaan. De schapen waren op het bedrijf onder de omstandigheden in het geïmproviseerde vanghok, in de aanwezigheid van verzoekers niet goed te beoordelen. Hij zag en voelde veel schapen met ernstige vermagering, kreupelheden,
slechte klauwen en een aantal ernstig kreupele en ook zieke en/of verzwakte dieren, die onmiddellijk veterinaire zorg nodig hadden. Hij had er geen enkel vertrouwen in dat verzoeker dit probleem zelf ging oplossen. Verzoeker gaf daarbij desgevraagd aan dat hij geen dieren onder behandeling had, terwijl dat wel noodzakelijk was. Sterker nog hij bestreed het oordeel van de dierenarts als zijnde volkomen ondeskundig, hij had er geen enkel verstand
van, de dierenarts was hartstikke gek en er was niks mis met de schapen van verzoeker, de dierenarts moest met zijn poten van de schapen afblijven. De dierenarts zag voor de schapen geen verbeteringen als ze op het bedrijf zouden achterblijven. In het verleden heeft verzoeker meerdere malen laten blijken niet zelf aan de minimale verzorging te kunnen voldoen. De dierenarts was van mening dat verzoeker door zijn houding en gedrag telkens weer
liet blijken dat hij niet in staat was vee op een verantwoorde manier te verzorgen en te houden. Het was een herhaling van eerder geconstateerde omissies. Meevoeren was voor de dierenarts nu de enige optie om aan het belang van de gezondheid en het welzijn te kunnen voldoen. Achteraf, bij de opslaghouder, bleek dit oordeel volgens de toezichthoudend dierenarts volkomen terecht te zijn geweest, omdat de dierenarts van de opslaghouder zijn bevindingen vrijwel helemaal onderschreef.