De onderneming heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 juni 2024, waarin haar beroepen tegen vier besluiten van de minister van Economische Zaken en Klimaat ongegrond werden verklaard. De minister had de brief van de onderneming van 26 juni 2023 ten onrechte aangemerkt als een bezwaarschrift, terwijl het een verzoek betrof om terug te komen op eerdere besluiten.
Tijdens de zitting op 2 februari 2026 werd namens de onderneming en de minister gesproken. Het College oordeelde dat de brief een verzoek was en geen bezwaarschrift, waardoor de minister onjuist had gehandeld door de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de termijn.
Het College verklaarde het verzet gegrond, vernietigde de vier besluiten van 29 september en 6 oktober 2023 en bepaalde dat de minister inhoudelijk moet beslissen op het verzoek van de onderneming. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan de onderneming.