ECLI:NL:CBB:2025:669

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
24/695
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van TEK-subsidie wegens ontbreken zakelijk energieleveringscontract

In deze uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven op 16 december 2025, zaaknummer 24/695, werd de aanvraag van een kwekerij voor subsidie op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen. De minister van Economische Zaken had eerder op 11 december 2023 de aanvraag afgewezen omdat de onderneming niet beschikte over een zakelijk energieleveringscontract voor de periode van 1 november 2022 tot en met 30 juni 2023. De minister herzag dit besluit op 16 juli 2024 en verleende subsidie voor de periode vanaf 1 juli 2023, maar de onderneming ging in beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing. De onderneming stelde dat de minister ten onrechte vasthield aan de eis van een zakelijk energieleveringscontract en dat dit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Het College oordeelde dat de minister de aanvraag terecht gedeeltelijk had afgewezen, omdat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarden van de TEK. Het College benadrukte dat het vereiste van een zakelijk energieleveringscontract essentieel is voor de toekenning van de subsidie en dat de afwijzing niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming had geen bijzondere omstandigheden aangedragen die een uitzondering op de regel rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/695

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigde: mr. Y. Groen)

Procesverloop

Met het besluit van 11 december 2023 (het afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.
Met het besluit van 16 juli 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het afwijzingsbesluit van 11 december 2023 herroepen en aan de onderneming subsidie verleend voor de kosten van levering van elektriciteit vanaf 1 juli 2023.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De onderneming heeft nadere stukken ingezonden.
Op verzoek van het College heeft de minister nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 29 oktober 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] namens de onderneming, en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Dit geschil gaat over een subsidie op grond van de TEK. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen die het gevolg waren van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor de periode van 14 maanden (1 november 2022 tot 31 december 2023).
1.2
De onderneming is een kwekerij gevestigd in [woonplaats]. Op 2 oktober 2023 heeft de onderneming TEK-subsidie aangevraagd voor de energiekosten die zij betaalt voor haar locatie aan de [adres] te [woonplaats]. Deze aanvraag is door de minister afgewezen. Bij het bestreden besluit is de subsidie alsnog toegekend voor de periode 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023 voor de kosten van elektriciteit. Voor de periode 1 november 2022 tot en met 30 juni 2023 heeft de minister geen subsidie toegekend, omdat de onderneming toen niet beschikte over een zakelijk energieleveringscontract. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor het ontvangen van de subsidie. De wel toegekende subsidie bedraagt maximaal € 45.224,70 en aan de onderneming is een voorschot toegekend van 35%, wat neerkomt op € 15.828,65. Dit voorschot is uitbetaald.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijk kader is in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Standpunten van partijen
3.1
De onderneming meent dat de minister haar ten onrechte alleen vanaf 1 juli 2023 TEK-subsidie heeft toegekend. De minister had de subsidie ook moeten toekennen voor de periode van 1 november 2022 tot en met 30 juni 2023. De locatie waarvoor subsidie is aangevraagd wordt weliswaar door de onderneming gepacht, maar de schuur heeft zijn eigen EAN-code, de onderneming is de enige pachter en de energiekosten zijn sinds 1 juli 2019 altijd en uitsluitend voor haar rekening geweest. De onderneming meent dat de minister het evenredigheidsbeginsel in acht had moeten nemen en niet had moeten vasthouden aan het formele vereiste van het zakelijk energieleveringscontract. Dat de verpachter degene was die over deze periode TEK-subsidie had moeten aanvragen, is volgens de onderneming niet doorslaggevend: de verhuurder genereert immers geen omzet met de schuur. Omdat de TEK-regeling inmiddels is gesloten, kan de verpachter ook geen TEK-subsidie meer aanvragen.
3.2
De minister meent dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen, omdat een zakelijk energieleveringscontract voor de bewuste periode ontbrak.
Beoordeling door het College
Heeft de minister de aanvraag terecht gedeeltelijk afgewezen?
4.1
Aan de orde is de vraag of de minister de subsidieaanvraag van de onderneming terecht heeft afgewezen voor zover de aanvraag ziet op de periode 1 november 2022 tot en met 30 juni 2023. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
4.2
Om in aanmerking te komen voor een subsidie op grond van de TEK, moet een onderneming voldoen aan een aantal vereisten. Eén daarvan is dat de mkb-onderneming een eigen zakelijke energieleveringsovereenkomst heeft, waaruit de leveringskosten voor elektriciteit en gas voortkomen (artikel 7, eerste lid, van de TEK). Als de mkb-onderneming niet aan deze eis voldoet, wijst de minister de aanvraag af (artikel 8, aanhef en onder a, van de TEK).
4.3
Vaststaat dat de onderneming in de periode 1 november 2022 tot en met 30 juni 2023 niet beschikte over een eigen zakelijk energieleveringscontract voor de schuur aan de [adres] die zij pachtte. Dat contract stond op naam van de verpachter. Dat de energiekosten aan de onderneming werden doorberekend door de verpachter maakt hem geen leverancier in de zin van de Gaswet of Energiewet 1998. De onderneming voldeed dus niet aan de voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen. De minister heeft de aanvraag voor deze periode daarom terecht afgewezen.
Is de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
5.1
De onderneming heeft aangevoerd dat de minister, ondanks het ontbreken van het zakelijk energieleveringscontract, toch subsidie voor deze periode had moeten verlenen op grond van het evenredigheidsbeginsel. Het College oordeelt dat de afwijzing niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hierna legt het College uit waarom.
5.2
In de TEK staan de eisen benoemd waaraan een subsidieaanvraag moet voldoen. Als daaraan niet is voldaan, moet de minister de aanvraag afwijzen op grond van artikel 8 van de TEK. Dit is een gebonden bevoegdheid. Het College heeft in 4.3 geoordeeld dat de aanvraag daarom terecht is afgewezen.
5.3
In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de toetsing moet plaatsvinden van een gebonden besluit (zoals hier: de afwijzing) dat berust op een algemeen verbindend voorschrift (zoals hier: de TEK) aan het evenredigheidsbeginsel. Deze toetsing kan plaatsvinden op twee niveaus. De rechter kan de rechtmatigheid van het wettelijk voorschrift als zodanig toetsen. Dit wordt exceptieve toetsing genoemd. Het wettelijk voorschrift waar het hier om gaat, is artikel 7, eerste lid, van de TEK, omdat daarin het vereiste van een zakelijke energieleveringsovereenkomst staat. Daarnaast kan de rechter toetsen of het wettelijk voorschrift, dat rechtmatig is bevonden, toch geen toepassing kan vinden in het voorliggende geval. Dit wordt rechtstreekse toetsing genoemd. Als een beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt gedaan, is het aan de rechter om te bepalen of dit strekt tot exceptieve toetsing, rechtstreekse toetsing, of beide. Op de zitting is vastgesteld dat het beroep van de onderneming ziet op de toepassing van het wettelijk voorschrift in het specifieke geval van de onderneming. Om die reden zal het College volstaan met een rechtstreekse toetsing van het bestreden besluit aan het evenredigheidsbeginsel.
5.4
Het College zal daarom niet beoordelen of de eis als zodanig onevenredig is, maar of de minister in dit geval het vereiste van het beschikken over een eigen zakelijke energieleveringsovereenkomst uit artikel 7 van de TEK, buiten toepassing had moeten laten. Dan gaat het om de vraag of een besluit in dit specifieke geval tot een onevenwichtige uitkomst leidt. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
5.5
Het College oordeelt dat dit niet het geval is. Het vasthouden aan de eis van een zakelijke energieleveringsovereenkomst is voor de onderneming niet onredelijk bezwarend. Zoals de minister in het verweerschrift heeft onderbouwd, dient het vereiste van een zakelijk energieleveringscontract meerdere doelen. Dit vereiste maakt dat objectief verifieerbaar is welke aansluiting bij welk KvK-nummer hoort. Op die manier wordt het risico op dubbele subsidiëring ook uitgesloten. Voorts borgt het de snelheid in het besluitvormingsproces, omdat op basis van een korte check tot verlening en bevoorschotting kan worden overgegaan. De onderneming heeft hiertegen ingebracht dat ten tijde van het bestreden besluit inmiddels vaststond dat er (maar) een pachter en één EAN-code aan het adres waren verbonden en dat de verpachter geen subsidie had aangevraagd over de betreffende periode. Ten tijde van het bestreden besluit (16 juli 2024) stond dit inderdaad vast. Volgens de onderneming bestond op dat moment het risico op dubbele subsidiëring niet meer. Wellicht zou ook aan de overige doelstellingen zijn voldaan zonder dat daarvoor een zakelijk energieleveringscontract nodig was. De vraag is of de minister de subsidie daarom had moeten toewijzen omdat het wel vasthouden aan deze eis tot een onevenwichtige uitkomst zou leiden. Het College oordeelt van niet omdat de TEK die ruimte niet biedt. De TEK bevat namelijk geen enkele aanwijzing dat het de minister vrij zou staan om in het kader van de heroverweging af te wijken van de opzet van de TEK. Integendeel, het doel van de TEK was nu juist het zo snel mogelijk kunnen verstrekken van liquide middelen aan energie-intensieve mkb-ondernemingen en dus niet te hoeven wachten met verlening tot na 2 oktober 2023 (de sluitingstermijn voor de aanvragen). Voor die opzet was het zakelijk energieleveringscontract de sleutel en niet slechts een formaliteit. Het achteraf op een alternatieve manier vaststellen wat het zakelijk energieleveringscontract met een korte check mogelijk maakte, en die eis daarom achteraf buiten toepassing laten, verdraagt zich hier niet mee. Die redenering zou bovendien voor meerdere ondernemingen opgaan, waardoor in feite een tweede beoordelingsmoment voor TEK-aanvragen zou ontstaan. Dat verdraagt zich niet met de TEK. De onderneming heeft overigens ook geen bijzondere omstandigheden aangedragen waarom dit in haar geval wel zo zou moeten. Het College volgt de onderneming dan ook niet in haar stelling dat de jurisprudentie van het College (onder meer de uitspraak van 4 juni 2024, ECLI:NL:CBB:2024:376) waarin geen uitzondering is aangenomen op het vereiste van een zakelijk energieleveringscontract, in haar geval niet op zou gaan.
5.6
Tot slot maakt het enkele feit dat de onderneming geen subsidie over de verzochte periode heeft gekregen en daardoor financieel nadeel leidt, het bestreden besluit niet zonder meer onevenwichtig. Daarvoor moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn ten eerste niet door de onderneming aangevoerd. Ten tweede staat vast dat het financieel nadeel voor de onderneming beperkt is. De leveringsprijzen voor elektriciteit over 2023 die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft berekend, zijn dermate laag dat het uiteindelijk te ontvangen subsidiebedrag ook laag is. Die prijzen waren ten tijde van het bestreden besluit ook al bekend. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is ook daarom geen sprake.
5.7
De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
6 Het beroep is ongegrond.
7 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van S.C. Lenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
w.g. C. de Kruif w.g. S.C. Lenders

Bijlage

Regeling tegemoetkoming energiekosten
Artikel 1
- referentieprijs 2022: door het CBS gepubliceerde gemiddelden van de variabele leveringstarieven voor consumenten voor gas en elektriciteit over het laatste kwartaal van 2022, inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting;
- referentieprijs 2023: door het CBS gepubliceerde gemiddelden van de variabele leveringstarieven voor consumenten voor gas en elektriciteit over 2023, inclusief energiebelasting en exclusief omzetbelasting;
Artikel 2, eerste lid
1. De Minister verstrekt op aanvraag eenmalig subsidie aan een mkb-onderneming of een groep, die een energie-intensiteit heeft van ten minste 7 procent, als tegemoetkoming in de energiekosten vanwege de sterk gestegen leveringsprijzen voor elektriciteit en gas door de oorlog in Oekraïne.
Artikel 3, eerste, tweede en derde lid
1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-onderneming zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.
2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.
3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.
Artikel 6
De subsidie voor een mkb-onderneming of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.
Artikel 7, tweede lid
2. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:
a. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of
b. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.
Artikel 7, vierde lid
4. Ontvangen compensatie op grond van de Subsidieregeling bekostiging plafond energietarieven kleinverbruikers 2023 of een ontvangen tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling tegemoetkoming energieprijzen kleinverbruikers 2022 wordt in mindering gebracht op de subsidie.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:125, eerste lid
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Artikel 4:31
De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.
Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.