ECLI:NL:CBB:2024:895

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 oktober 2024
Publicatiedatum
4 december 2024
Zaaknummer
23/1215
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5.1 TVL
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet voldaan omzetverliesvereiste TVL Q4 2021

De onderneming [naam 1] B.V. heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het vierde kwartaal van 2021. De minister van Economische Zaken had de subsidie vastgesteld op nul euro omdat niet was voldaan aan het vereiste van een omzetverlies van ten minste 20%.

De onderneming stelde dat de omzet van consumptiemunten die in Q4 2019 waren verkocht, bij de omzet van Q4 2021 moest worden opgeteld. Het College oordeelde echter dat consumptiemunten pas omzet vormen in het kwartaal waarin zij worden ingeleverd, omdat bij uitgifte het tarief van de omzetbelasting van het aan te kopen goed nog niet duidelijk is.

Hierdoor behoren consumptiemunten niet tot de omzet in de referentieperiode maar tot de omzet in het kwartaal van inlevering, waardoor het vereiste omzetverlies niet is bereikt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de subsidie blijft vastgesteld op nul euro.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan het vereiste omzetverlies van ten minste 20%.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1215
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024

Rechter: mr. B. Bastein

Griffier: mr. M. Ettema

Partijen

[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming),

vertegenwoordigd door drs. G.M. Kamps en waarvoor aanwezig is [naam 2]
en

de minister van Economische Zaken,

vertegenwoordigd door mr. W. Dam en mr. P. van Veen

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De minister heeft de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,-, omdat de onderneming niet een omzetverlies van ten minste 20% heeft geleden. De minister heeft voor de berekening van de omzet gebruik gemaakt van de gegevens van de Belastingdienst en omzet opgeteld uit de administratie. Volgens de onderneming moet de minister de omzet van consumptiemunten nog optellen bij de omzet in het kwartaal waarin de munten verkocht zijn (Q4 van 2019).
2 Het College oordeelt dat de minister terecht het standpunt inneemt dat consumptiemunten pas omzet zijn in het kwartaal waarin de munten worden ingeleverd. Bij de uitgifte daarvan is niet op voorhand duidelijk wat het tarief van de omzetbelasting is van het met de munt aan te kopen goed is. Daarom maken consumptiemunten geen onderdeel uit van de omzet in de referentieperiode op het moment van de verkoop, maar op het moment van inleveren. Bij het inleveren is sprake van een opbrengst uit de levering van een goed zoals bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, van de TVL.
3 Daardoor is geen sprake van een geleden omzetverlies van ten minste 20% en is de subsidie vastgesteld op € 0,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2024.
B. Bastein M. Ettema