Laroka B.V. vroeg uitstel voor het aanleggen van een welzijnsvriendelijke stalvloer vanwege financiële en persoonlijke omstandigheden. De minister verleende aanvankelijk een jaar uitstel, maar wees een tweede verzoek af omdat er nog geen start was gemaakt met de investering en uitstel geen zekerheid bood.
Laroka stelde dat de voorwaarde van een start met de investering onredelijk was en dat uitstel mogelijk moest zijn tot uiterlijk 31 december 2024, conform Europese subsidievoorwaarden. De minister hield vast aan een uiterste datum van 16 september 2024, later bij nader motief 30 juni 2025, maar gaf onvoldoende motivering waarom een langere termijn nodig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de motivering van het bestreden besluit onvoldoende was en vernietigde het besluit. De minister moet een nieuw besluit nemen met een deugdelijke motivering over de termijn. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten van Laroka.